Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 5. Geen rails of vaste wissels worden door de ondernemers verlegd, dan met voorkennis en toestemming van den Direkteur der Burgerlijke Openbare Werken.

Art. 6. Daar, waar dubbel spoor ligt, moeten de rijtuigen en wagens op ieder spoor zich in zoodanige rigting bewegen, dat zij de as van den weg ter regterhand houden.

Wanneer daar, waar enkel spoor ligt, twee treinen elkander op hetzelfde spoor ontmoeten, heeft vóór 12 ure des middags de naar de benedenstad rijdende- en na dien tijd de van de benedenstad komende trem de voorkeur om door te rijden; moetende de trein, die niet doorrijdt, naar den digtst bij zijnden wissel of uitwijkplaats, waar die zonder gevaar voor de algemeene veiligheid zijn toegelaten, of anders naar het naastbij gelegen station, terugkeeren.

Art. 7. Er mag nimmer een rijtuig of wagen op de baan blijven stilstaan, langer dan noodig is om reizigers op te nemen of uit te laten, of goederen te laden of te lossen, ten ware zulks ter voorkoming van ongelukken of ten gevolge van plaats hebbende accidenten noodzakelnk mogt zyn.

De reizigers en goederen mogen echter in geen geval op hoeken van stegen of gangen, of op een kruisweg opgenomen of uitgelaten worden.

Art 8 Elk rijtuig of elke wagen is voorzien van behoorlijke remtoestellen, zoodanig ingerigt, dat doof middel daarvan de voertuigen in vollen gang binnen een' afstand van hoogstens twaalf Nederlandsche el tot stilstaan kunnen worden gebragt.

Art 9 Alle rijtuigen, wagens, paarden en tuigen der onderneming zijn onderworpen aan eene maandelijksche keuring, te vemgten door eene daartoe door het gewestelijk bestuur te benoemen kommissie

De keuring geschiedt op den eersten dag der maand in de gebouwen der onderneming.

" Van elke keuring wordt door de kommissie een omstandig procesverbaal opgemaakt en aan het Gewestelijk Bestuur overgelegd.

Art 10 Geene schichtige paarden mogen worden aangespannen. Paarden, die met dit gebrek behebt zijn, of om zwakheid als anderzins ongeschikt voor de dienst worden bevonden, mogen niet worden gebezigd.

Art 11 De afgekeurde voorwerpen mogen niet meer in den staat, waarin zij zich bevinden, worden gebruikt en moeten binnen een terrnun, oTr de in art. 9 bedoelde kommissie te bepalen, ten genoege der kommissie hersteld of door goede worden vervangen.

Sluiten