Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

626

Inleid, wet R. O. — Alg. Begins. XVII.

maar hier niet het geval was. — Over v. Hamel's opstel vgl. R, F. in W. 8347 p. 3-4 ').

99. b. Het voorschrift eener gemeenteverordening, honden die gevaarlijk geacht icorden, op de eerste aanzegging van B. en W. vast te leggen, — laat aan B. en "W. het eindoordeel over de vraag, of een hond gevaarlijk moet geacht. — Zoo H. R. 21 April 1902 W. 7763, v. d. Hon. G. Z. 47 p. 90, P. v. J. 167. — Hier is er een aan de handeling voorafgaand oordeel van B. en W. Vgl. v. Hamel in T. v. S. 17 p. 423—424. — In denzelfden geest als dit arrest van 1902 is het volgende:

Als een gemeenteverordening aan gebruikers van terreinen verbiedt om, zoo B. en W. hun schriftelijk aanzeggen dat het daar aanwezig zijn van dieren naar hun oordeel schadelijk is voor de gezondheid of hinderlijk voor de buren, die dieren daar te hourïeil) _ js aan B. en W. overgelaten om voor ieder bizonder geval te bepalen of de omstandigheid, waarvoor de Raad dit verbod heeft uitgevaardigd, zich voordoet. Dit behoort tot de uitvoering der verordening, — en het doet niet af, noch voor de wettigheid, noch voor de toepasselijkheid der verordening, dat daarin geen feiten zijn gesteld, waaruit het schadelijk of hinderlijk zijn zou moeten worden afgeleid. — Zoo H. R. 29 Okt. 1906 W. 8449 p. 1 kol. 1—2, R.spr. 204 § 9, G.st. 2884 sub 10°, W. B. A. 2999. "Vgl. de bij dit arrest behoorende concl. O. M., die de verordening ontleedt in verschillende voorschriften, en een algemeen verbod aanwezig acht, afgescheiden van de toepasselijkheidsverklaring daarvan door B. en W. Ware dit juist, dan zou de strafrechter ook hebben te onderzoeken of B. en "VV. terecht dit algemeene verbod toepasselijk achtten. Maar anders

1) Naar aanleiding van bedoeld opstel worde nog opgemerkt, dat de vraag 1.1. p. 412 gesteld, een petitio principii behelst, en daarom onjuist is geformuleerd. Verder, dat nu eens enkel wordt opgekomen tegen een oordeel a posteriori als element van een delikt, dan weef in het algemeen gezegd, dat eerbiediging van iemands oordeel als zoodanig, hem plaatst op den stoel van den rechter. Ware dit laatste juist (daaromtrent vgl. p. 638 v. b. hierna), dan zou het ook moeten gelden van een voorafgaand oordeel. Vgl. 1.1. p. 427 met p. 420 ja p. 423.

Sluiten