Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

640

Inleid, wet li. O. — Alg. Begins.-X.VII.

maatstaf aan te geven, ter beslissing in welke gevallen zulke voorschriften, ook in gemeenteverordeningen b.v., moeten worden erkend. Maar zij kunnen soms wenschelijk zijn, en moeten daarom m.i. niet alle met één pennestreep worden doorgehaald. Abusus non tollit usum. Het komt mij voor dat het verkieselijk zou wezen om op dergelijke voorschriften als art. 172 voornoemd op het oog heeft, koninklijke goedkeuring te eischen. Hierop zou dan de Raad van State ter wille van grondig onderzoek moeten worden gehoord. En opdat de zaak niet te lang onbeslist blijve, zou zijn te bepalen dat, als de koninklijke beschikking niet volgt binnen zekeren termijn nadat goedkeuring is gevraagd, deze laatste wordt geacht te zijn verleend. — Dit zou dan niet zijn neer te schrijven in het Wetb. v. Adm. Rv., maar hetzij in de betrekkelijke organieke wetten, hetzij in een wet van meer algemeene strekking ]), opdat duidelijk blijke dat het niet alléén geldt voor de procedure, bij eerstbedoeld wetboek geregeld. — Eventueele bezwaren tegen het hier voorgeslagene, ontleend aan de autonomie van gemeenten, enz., gaan m. i. evenmin op als tegen de nog sterker ingrijpende bepaling van meergenoemd art. 172. Vgl., wat betreft het te stellen vereischte van koninklijke goedkeuring, Labbebton (p. 535 nt. 1 hiervóór geciteerd) p. 57—60 j's. p. 28—31. In deze is het algemeen belang betrokken bij de

!) Dan zou hel artikel b.v. aldus kunnen luiden: Bepalingen, krachtens welke voor het toepasselijk zijn van een wettelijk voorschrift wordt vereischt dat eenig feit of eenige omstandigheid naar het oordeel van een in die bepalingen aangewezen persoon aanwezig is, zijn slechts verbindend, voorzoover deze — hetzij voorkomen in een wet, een algemeenen maatregel van bestuur, een provinciale verordening of een provinciaal reglement voor een waterschap, veenschap of veenpolder, hetzij door Ons zijn goedgekeurd, den Raad van State gehoord. Deze goedkeuring wordt geacht te zijn verleend, indien zij niet is geweigerd binnen .... nadat zij is aangevraagd. — Vgl. hierbij de tweede noot op blz. 646.

Bij het hier in den tekst voorafgaande vgl. ook K. B. 2 Jan. 1909 Stbl. 6, en daarbij W. B. A. 3136 p. 2—3, alsmede G.st. 2991 sub 1° j° 2959 sub 8°. Het in G.st. t. a. p., gelijk mede in het Militair-rechtelijk Tijdschr. 4 p. 652, genoemde arrest van het Hoog Mil. Ger. Hof d.d. 22 Mei 1908 is in het Supplement op dit werk te vermelden op Alg. Begins. XV no. 38.

Sluiten