Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan haar opdrongen, den blik naar binnen, het hart soms tot berstens toe bonzend, maar de lippen op elkaar.

Graaf Bernsdorff wenschte menigmaal dat het anders mocht zijn, dat zij zich uiten zou.

Eindelijk op een voormiddag, in de verte tegen den grauwen horizon, boven de opspitsing van andere toppen, eenzaam in zijn steile ontoegankelijkheid, bij het wenden van den rotsigen bergweg: den Reichenstein.

Hij lag op zijn tergende hoogte uitgestrekt als een reusachtig roofdier, de steenen klauwen diep in het vale gesteente, loerend, en spiedend, en op onheil broedend.

Roswitha staarde hem aan als een vijand tegen wien niet te kampen viel, schrik en vertwijfeling in haar oogen.

—Sterke ligging en sterke muren en wallen helpen niet tegen de kondschap die zij daar boven ontvangen hebben," zeide graaf Bernsdorff, als had hij haar ontroering niet opgemerkt. „Niet ons lot is in hunne handen, maar hun lot in de onze."

Een half uur later stuitten zij op een kleinen ruitertroep, Auersperg voorop.

— Op verkenning," legde de jonge edelman uit.

— Op verkenning van de liefste en meest begeerlijke vesting ter wereld," dacht graaf Bernsdorff met een blik naar Roswitha.

Daarna klopte hij zijn paard op den nek en onderzocht de voegen en onderdeelen van diens stalen rusting zoo lang en zoo nauwkeurig of er een strijd van man tegen man gevreesd werd, een onderzoek dat een geruime poos zijn aandacht vorderde en afleidde van de begroeting der jongelieden.

— De belegerden hebben vermoedelijk een uitval in den zin, en trachten naar verbinding met eenige omzwervende benden die het den belegeraars al lastig hebben gemaakt in de laatste dagen," vervolgde Auersperg, zijn paard dicht naast graaf Bernsdorff. „Wij willen niet verrast worden en houden den omtrek zuiver. Ik zag u van gindsche hoogte.... Toegangen en wegen naar ons kamp zijn versperd om een onverwachte nadering te

Sluiten