Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tflj

P. 814.

14 Febr.- 1929 W. 11971 (met noot H. d. J.), N. J. 1929 p. 1233 (contra O. M.); 1 Febr. 1929 W. 11964, N. J. 1929 p. 1229 (met noot P. S.). Ygl. Inl. R. O. p. 127.

Artt. 105—106.

P. 815 reg. 1 v. b. — Na „289" in te voegen: Blok-Besier II p. 449—455, 469—470.

P. 815 reg. 16 v. o. — Bij „komen" een noot: Ygl. b.v. BlokBesier II p. 451, 452. — Is men het eens met het R. O. p. 815 gezegde, dan bestaat er, dunkt mij, alle reden b.v. art. 424 Rv., dat enkel van de beslissing der „hoofdzaak" spreekt, analogisch toe te passen als de beslissing over de rechterlijke bevoegdheid afhangt van die over een bij de vroegere behandeling niet opgeloste kwestie. Dat geval deed zich voor bij H. R. 27 Jan. 1927 in verband met Rb. Amsterdam 19 April 1926, beide beslissingen bij R. O. p. 351 no. 11 i. f. (e) vermeld; zie aldaar. Maar toen heeft de Hooge Raad de zaak niet teruggewezen, doch uitspraak gedaan alsof vaststond wat hij zelf te kennen gaf dat niet vaststond.

P. 816 reg. 2 v. o. — Toevoeging: Vgl. nog Simons, Sv. 7e dr. p. 299.

P. 817 No. 6 kan nu vervallen wegens het niet overnemen van art. 346 Sv. 1886 in Sv. 1925; zie Simons 1. 1.

P. 818 no. 8. — Toevoeging: Over het geval eener niet-ontvankelijkverklaring in de verdere vervolging wegens verzuim der nadere opgave, bedoeld in art. 252 k van het vorige wetb. v. Sv. (nu art. 393) zie de noot L. B(esier) op H. R. 23 Nov. 1925 N. J. 1925 p. 1193. — Over het geval eener verzuimde nietontvankelijkverklaring H. R. 28 Febr. 1927 W. 11656 p. 3, N. J. 1927 p. 375, met noot L. B., die opmerkt dat de verwijzing door den Hoogen Raad krachtens art. 106 hier zonderling aandoet.

P. 818 no. 9. — Toevoeging: Vgl. bij R. O. p. 820 reg. 10 v. b.

Sluiten