Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In de tweede plaats dient hier nog besproken te worden het argument van H. Rahder, die in W. 8332 als volgt betoogt: Het is een „natuurlijk recht" van den mensch, dat de ingezetene den rechter van zijn land zonder iemands tusschenkomst kan naderen. Alleen de wetgever kan dit recht beperken, als dat in het belang van den staatsburger zeiven noodig is. De wetgever heeft zulks gedaan bij de contentieuse proceduie, omdat de gelijkheid der gedingvoerende partijen slechts tot stand kan komen door bepaalde vormen en met deze vormen alleen deskundigen kunnen omspringen. Deze grond vervalt echter als er geen partijen zijn.

De fout van deze redeneering is betrekkelijk gemakkelijk aan te toonen. Indien de rechtsgrond van het beginsel der verplichte vertegenwoordiging was gelegen in de gelijkheid der gedingvoerende partijen, dan zou de laatste zin van Rahder's betoog inderdaad juist zijn en alleen maar de vraag overblijven, in hoeverre men bij de procedures van vrijwillige rechtspraak niet van „partijen" kan spreken. In het begin van deze paragraaf echter, ben ik tot de conclusie gekomen, dat het beginsel der verplichte vertegenwoordiging een anderen rechtsgrond heeft, en ook Rahder zelf gaat in den voorlaatsten zin van zijn betoog van een anderen rechtsgrond uit, n.1.: het bestaan van vormen, waarmee alleen deskundigen kunnen omspringen. De gelijkheid der gedingvoerende partijen is hier alleen maar oorzaak van het ontstaan van zulke vormen. Wanneer er geen partijen zijn, vervallen alleen deze laatste oorzaak en de daarop betrekking hebbende vormen, en is het zeer goed mogelijk, dat er nog op andere oorzaken berustende vormen overblijven, die een niet-deskundige eveneens onmogelijk op behoorlijke wijze in acht zou kunnen nemen. Zooals eveneens uit het begin van deze paragraaf is gebleken, is zulks mijns inziens het geval bij de cassatieprocedure.

De jurisprudentie.

De rechtspraak neemt tot heden zonder uitzondering aan, dat het beginsel der verplichte vertegenwoordiging voor de procedures van vrijwillige rechtspraak geldt op denzelfden voet als voor de contentieuse procedure 19).

1») Zie o.a. de arresten van den Hoogen Raad: 9 Maart 1906 W. 8346;

2

Sluiten