Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

SPREEKT HET O. T. VAN „SCHIMMEN"?

een lijk geworden, maar voor hun besef denken zij daarbij nog aan de persoon zelf.

Welnu, zoo spreekt ook het O. T. de taal van het gewone leven.

We lezen, dat Abraham zijn huisvrouw Sara begroef; dat Izaak en Ismaël Abraham begroeven enz.

En zoo wordt over iemand, die pas gestorven is nog niet gesproken met dat harde woord lijk. De hoogepriester mag niet een doode aanraken, de nazireër mag dit evenmin.

Dit verbod is natuurlijk vooral gegeven in verband met het aanraken, of in de nabijheid komen van gestorven familieleden.

Daarom wordt daar dan een uitdrukking gebezigd, die wij het best zouden kunnen weergeven met „een doode iemand".

Een hoogepriester mag niet iemand n.1. een doode aanraken.

Daarom moeten we in geen geval in onze vertaling het woord „ziel" gebruiken. Dat is zeer beslist onjuist.

Nefesj mët is een doode, „een doode iemand", een doode mensch.

Spreekt het O. T. van „schimmen" ?

Zeer merkwaardig is, dat in het O. T. de dooden nooit „zielen" worden genoemd. Velen zijn van meening, dat het O. T. echter wel spreekt van schimmen. Zij vertalen dan het woord refaïm, dat enkele malen gebruikt wordt voor de dooden, door „schimmen".

Dit woord refaïm komt van een Hebreeuwsch woord, dat slap, krachteloos beteekent. Het is duidelijk, dat met dit woord een tegenstelling aangegeven wordt met den levenden mensch.

Wat gebeurt er immers met den levenden mensch bij het sterven ?

Zijn levensadem, zijn levensgeest gaat uit. Zijn leven vloeit weg. De geesteskracht, de energie, waardoor hij waarlijk een levend mensch was, verliest hij. De impuls, waardoor hij uitgedreven werd tot zijn daden, is weg. De mensch kan zich in dit aardsche leven niet meer bewegen. Kan er geen indrukken op doen. Kan

Sluiten