Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den achter eene gelegenheid om met elkaar te spreken. Hunne ziel verteerde van verlangen, nog aangevuurd door de vijandigheid der omgeving.

Zekeren nacht, in het najaar, hing een ondoordringbare mist over de Schelde en over het land. De mannen van Brabant sliepen hunnen roes, moe van een feest dat drie dagen en drie nachten geduurd had. De koningszoon sloop zijne kamer uit, ging door de feestzaal waar de hovelingen, de bekers in de vuist geklemd, sliepen onder banken en tafels.De koning snurkte luide op zijnen troon, zijne kroon was scheef gezakt op zijn oor. Naast hem stierf de laatste toorts, die fantastisch zijn gelaat verlichtte. De prins nam een misthoorn van den muur, en voorbij de ingedommelde wakers, bereikte hij de booten. Helaas ! Zij waren aan kettingen en touwen vastgemeerd. Toen kroop hij op een staketsel, dat ver in den stroom vooruitsprong, en toette driemaal op zijn misthoorn. Ondoordringbaar hing de wakke mist over het ruischende water, en verlangerig schreiend klonk zijn getoet, als van een schip in nood, in ontij. Maar hoor ! daar wordt het getoet beantwoord van de overzijde. Zalig oogenblik voor den wakkeren jonker, en overgelukkig roept hij forsch, uit volle longen, door zijn hoorn, dat het scheurt door de ruime stilte :

— Koningsdochter ! Edel scheldekind ! Jonkvrouw met de haren als van vlammend goud, ik heb u lief door tijd en eeuwigheid ! Diep is de vloed, doch dieper nog mijne liefde !

— Koningszoon ! Wijze prins der' melkblauwe mistluchten ! Zoete ridder, gebaard door eene prinses der heide, ik verbeidde u zoo menigen stond !

— Groen zijn uw oogen als den weerschijn van het water, rank uw lijf als een droom, en zuiver als de winde, nobel lief!

— Mijn slaap die week van mijn sponde en ik zag u verschijnen in uwen zilveren kolder. O prins der zeelucht ! O trots der Schelde ! Kom tot mij ! Kom tot mij !

Sluiten