Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— = Aarden, tieren , gelukken. C D. De appelaars gaan niet wel in zandachtigen grond.

— — Rijzen, zwellen. C. D. T. K fermenUscerc. Het brood is nog niet gegaan.

Zuidned. bij V..

Ook opgaan en vullen.

— = Zijne hebbing krijgen. D. Het botervat gaat, als het helder klinkt en boter begint te maken.

— = Verkocht worden, gelden. C. D. T. Hoeveel is de boter vandaag op de merkt gegaan ?

— = Geldig zijn, van munt. De Fransche stuivers gaan niet meer.

— = Passen, voegen. C. D. T. Die frak gaat niet aan mijn lijf.

Spr. : Dat gaat gelijk een tang op een verken , die zaken passen samen niet.

— = Naar den lust zijn. T. Alle dagen rondwandelen , dat gaat mij !

— = Worden. C. D. Als ge op die plek blijft wrijven, zal ze wel wit gaan.

Ook kommen.

— Iets over u laten gaan, het verdragen. T.

Z. Verdam, 886.

— Iets laten gaan, i° er van afzien, niet behouden, verkoopen. C. T. : — ik laat mijn boter niet gaan , als ge mij geen twee en dertig stuivers geeft. 2° Er zich niet over bekommeren, er niet op antwoorden. C. ; — hij maakte mij uit veurvuilen visch en ik liet alles gaan totdat hij mij 'nen slag gaf.

— Gaan aan, aanraken. C. D. R. Gaat aan dat ijzer niet of ge verbrandt u.

Ook kommen aan.

— Gaan in, in eene hoogere klasse gaan. C. D. Achter de groote vacantie ga ik in de hoogste klas.

— Gaan met iemand, met hem verkeeren. C D. S. T. Ze gaat 's Zondags met den zeun van den smed.

Van gewone gezellen zegt men gaan bij. Die bij slechte gezellen gaat, is gauw bedorven.

— Gaan op, gezongen worden. C. T. Die woorden gaan op De Vlaamcshe Leeuw.

— Het gaat er naartoe. de toestand is slecht. Het gaat er naar toe in dat huishouden !

— Blijft soms weg, als er eene onbep. wijze op volgt. C. D. Hij is al slapen.

— Wij zeggen zes gaat drijmaal in achttien en niet op achttien.

— Gaan van, i° gerust laten, ophouden van te tergen, te handelen, enz.. D. ; — ga van mij. of ik breek u den nek; 20 verlaten , van gezellen en getrouwde lieden. D. ; — ze komen niet overeen en daarom gaat hij van zijn vrouw.

— Gade, (gaat gij), gade 'nen keer dient om iets te verbieden , om iemand te doen ophouden van wat hij doet. D. R. Gade ! wat ! mij bijten, leelijke beest!

— Wordt veel gebruikt voor zullen. C. Al dat gelach gaat niet blijven duren.

— Gaans, voor gaande. C. D. T. Wat is er gaans in het dorp , dat iedereen opgekleed is ?

Vroeger ook gaans, zegt V..

— Iets laten gaan, i° er van afzien, niet behouden,

— De gaande en de komende man, de vreemdelingen , de gasten, de klanten.. K. gaende man, viator. De herberg staat open veur den gaanden en den komenden man.

— Gaande en staande zijn, van eenen zieke die niet bedlegerig, maar in beweging is. C. Hij is hij wel gaande en staande, maar 't kan toch niet lang meer duren.

— Ga zingt voor gaat zingen. Z Spr. bl. 33, nr 36.

GAiAN)BANK , z. nw., vr.. = Gestel waarin de kleine kinderen alleen leeren loopen. De gaanbank is geen rolwagen.

Ook schuifbatth.

GAANDELIJK, bijv. nw.. - Gaanlijk. D. In dat klein straatje en is 't niet gaandelijk van de vuiligheid.

GAANDELINGS, bijw.. = Al gaande. Op twintig minuten kunt ge gaandelings in het dorp zijn.

GAANDER, z. nw., m.. = Voetganger. C. Ik en ben geen felle gaander.

GAANS. — Z. Gaan.

GAANSTOK. z. nw., m.. = Wandelstok. C.

Bij D. gastok.

Zuidned. zegt V..

GAAP, z. nw., m.. — (Wever) Opening van de keting die ontstaat met den eenen schacht omhoog en den anderen omlaag te trekken en waar de schietspoel doorgejaagd wordt.

GAAPACHTIG, bijv. nw.. Genegen tot gapen, tot geeuwen. Ik heb van den nacht maar slecht geslapen en daarmee ben ik zoo gaapachtig.

GAAPSTAAK, z. nw., m.. — Niets, al lachende, en sprekende van verkoopingen. Hebt gij iets gekocht ? — Nen gaapstaak. Gaat gij iets koopen ? — Ja , 'nen gaapstaak.

G AARBIER, z. nw., o.. — Bier dat in de glazen blijft en door den herbergier gegaard wordt.

GAARDER, z. nw., m.. = (Marmelspel) Gezel die niet meespeelt, maar zich gelast met de marmels die een spelende gezel wint, bij zich te houden en te bewaren.

GAARPUT, z. nw., m.. = Modderput, put waar verschillige goten te zamen loopen.

Ook ver sterf put.

GAART. z. nw., o.. — Z. Gort.

GAARTHAMER. z. nw., m.. — Z. Gorthamer.

GAARTON , z. nw., vr.. - = Ton waar men 'tgaarbier in giet om het te bewaren.

GAAS, z. nw., vr., (niet o.). — Z. Wdb..

GAAS (zuivere a), z. nw., vr., (niet o.). = Gas.

GAASBUIS. z. nw., vr.. =■ Gasbuis.

Sluiten