Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

SCHOOR (scherpe o), z. nw., vr.. = Steun. D. S.

Bij V. met zachte o.

SCHOORBAND (zachte o),z.nw.,m.. = (Schipp.) Touw die men rond eenen schoorboom of _eenen haak slaat. Bij middel van den schoorband kan de schipper veel geweld op den schoorboom gebruiken om een schip snel te stoppen.

SCHOORBOOM (zachte en scherpe o), z. nw., m.. = (Schipp.) Dikke boom die dient om het schip te stoppen. De schoorboom heeft van voren eene veunt of eene klauw.

SCHOOREN , werkw., overg.. = Schoren , ondersteunen. D. S. Een muur schooren.

SCHOORRXNG (zachteo), z. nw., m.. = (Schipp.) Ring waar de schoorband aan vast is.

SCHOOT, z. nw., m.. — Z. Wdb..

—: Iets op zijnen schoot pakken, er zich verantwoordelijk voor erkennen. Het hoofd in den schoot leggen , zich onderwerpen.

— — Deel van het kleed dat den eigenlijken schoot van 't lichaam dekt.

Er zijn rokken met platten schoot (zonder plooien), met gr plooiden schoot, met opgehaalden schoot.

— -= Inhoud van den voorschoot. C. S. Ze kreeg veur heur moeite 'nen heelen schoot appelen.

— De schoot der schouw is het deel der schouw begrepen tusschen de zijkanten, den grond en het schouwblad. D. Men. zet het schouwstuk vóór den schoot der schouw.

— De schoot van eenen kruiwagen is gansch het binnenste van den bak.

— = (Wever) Lengte stof van aan den buikboom

tot aan de lade. Men kan weven met kleinen of met grooten schoot.

SCHOOT (zachte o), z. nw., vr.. — Z. Scheut, marmelspel Hij ligt in mijn schoot, d. i. ik kan hem gemakkelijk schieten, hij ligt in mijn bereik.

SCHOOTBANK (scherpe o), z. nw., vr.. = (Schipp.) Bank waar de overloop der kleine zeilschepen in vastgewerkt is.

SCHOOTKANT, z. nw., m.. = Kanten van den akker langs eene gracht.

Spr. : Van den schootkant in den gracht vallen , in een slechteren toestand geraken, achteruitgaan.

— Z. Kantgewende.

SCHOOTVEL, z. nw., o.. = Schootsvel. S. K. castula pellicea.

SCHOOVEN, werkw., overg.. = Tot schooven binden. Z. Wdb.. Men zegt het meest van de wij men : wijmen schooven.

SCHOR, z. nw., o. (niet vr.). — Z. Wdb.. S. In 't schor staat er dikwijls riet en lisch.

SCHOREZEL. z. nw., m.. = Slecht zwijn, zwijn dat b. v, niet vetten wil.

SCHORGA(R)S, z. nw., o.. = Gras dat in 't schor groeit.

SCHORGROND, z. nw., m.. = (Dijkw.) Schorland , aangeslibde grond.

SCHORHOOI, z. nw., o.. = Hooi van het schor. Gewoonlijk is het schorhooi wat zoutachtig van smaak.

SCHORKOEiI), z. nw., o.. = Koe die in 't schor weidt. ,

SCHORPBANK, z. nw., vr.. = (Wagenm.) Bank die in 't midden en van voren open is en dient om zware stukken te dragen die moeten geschorpt worden.

SCHORPELING, z. nw., m.. = Afval van't hout bij 't schorpen. C. D.

SCHORPEN. werkw., overg.. = (Timm.) In de lengte doorzagen. C. D. S. K. secare. Latten schorpen.

— Z. Opschorpen

SCHORPZAAG. z. nw., vr.. = (Timmerm.) Schulpzaag, zaag met een raam waar van boven eene handhave aan is om door eenen man bewogen te worden. C. D.

SCHORRE, z. nw., vr.. = Schol, visch.

Bij D. scharre.

— Schorreken, naam van tabak die den vorm heeft van eene schol ; 't is Hongaarsche tabak.

SCHORREBEK, z. nw.,o.. = (Ziekte) Scheurbuik, scorbut.

SCHORREBOL, z. nw., m.. —Z. Schorrekop. S.

Bij C. schorenbol.

SCHORREBOLLE, z. nw., vr.. — Z. Schorrekop. S.

SCHORREKOP, z. nw.. m.. = Hoofd met zeer kort gesneden haar.

— = Iemand wiens hoofdhaar zeer kort is.

Bij D. scharre kop.

SCHORS, z. nw., m.. —Z. Kapecienbaard. 3°.

SCHORSEN (rs = ss), werkw., overg.. = Ontschorsen, de schors afdoen. D. K. corticem adimere. De eeken schorsen.

Weinig gebr. bij V..

SCHORT, z. nw., vr.. Voorschoot met borstlap dien sommige ambachtslieden, gelijk de kuipers, dragen. C. D. S. K. prxcinctorium. De kuipers dragen veel een leeren schort.

Bij V. ; kleedingstuk der vrouwen hetwelk voor den schoot wordt gedragen.

SCHORWEI(DE), z. nw., vr.. = Magere weide in het schor gelegen.

SCHOT, z. nw., m.. — Z. Wdb .

Spr. : Liegen gelijk een Schot.

Sluiten