Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OPGELEERD, bijv. nw., — Opgeteerd zijn in iets, volkomen kennen. Hij was al opgeleerd in de deugnieterij, als hij nog maar zeven jaar was. Onze jongen blijft uit de school, want hij is opgeleerd.

Meest in ongunstigen zin gebezigd.

OPHAALKETING, z. nw., vr.. = Keten dienende om zware vrachten, gelijk boomen en balken , op te halen.

OPKLATTEN. werkw., overg.. — Nen boom opklatten, de onderste takken afkappen om den stam hooger te maken.

Ook opkleezen en opsnoeien.

OPKLEEZEN. werkw., overg.. —Z. Opklatten.

OPKNUFFELEN, werkw., overg.. = Traagzaam opeten. Een hepseknuist opknuffelen.

Bij C. opknoefelen en ophnuffen.

OPKNUTTEREN, werkw., onov. (zijn). — Bekomen , beteren, van de gezondheid gezeid. Ik heb vijf weken ziek geweest, maar nu begin ik wat op te knutteren.

OPKUISCHEN , werkw., overg.. — Z I.

— Z. Opboteren.

OPLIJKEN , werkw., overg.. — ees Opluiken.

OPLOOPEN, werkw., onov. (zijn). — Z. I.

— Een baantje oploopen, erop uit zijn om een ambt of eene bediening te bekomen.

— = (Meul.) Door een hevigen wind schielijk rapper draaien. De meulen loopt op.

OPLUCHTEN, werkw., overg.. — Z. I.

— Iemand opluchten, naar huis halen. De man zat laat in de herberg en de vrouw ging hem opluchten.

OPPALEEREN. werkw., overg.. = Opschikken, 't Is feest, ik moet-ons huis oppaleeren. Hij ging opgepaleerd naar de kermis.

OPPEREN, werkw., onov. (zijn). — Z. I.

Spr. : Er gaat veel zeggen in 'nen zak, eer hij vol is, want het oppert niet.

OPPERSTE, z. nw,, m. en vr.. = Overste van een klooster.

Bij V. : « generaal (eener geestelijke orde). »

OPPERVRACHT, z. nw., vr.. — Lading boven de zijbarden.

OPPOETSEN , werkw., wederk.. = Zich schoon aankleeden, opschikken. Hij ging opgepoetst naar de hoogmis.

OPPRUIS(CH)EN , werkw., onov. (hebben en zijn). — Opborrelen. D. Het schuim pruischt op deur de bom.

OPRAPEN , werkw., overg.. — Z. I.

— = (Breister.) De steken van beenen of boorden op kammekens brengen. De steken oprapen.

OPRAPER. z. nw., m.. = (Breister) Meisje dat voor beenen- of voetenbreisters de steken op de kammekens moet rapen.

OPRECHT, bijw.. = Waarlijk, recht, 't Is oprecht spijtig dat het nu slecht weer is.

OPREKENEN, werkw., overg.. — Z. I.

Spr. : Die den heerd laat oprekenen als hij er aan zit, die moet nog zeven jaar wachten om te trouwen of't zal hem bitter berouwen.

OPRIJDEN, werkw., overg.. — Z. I.

— (Steenb.) Den steen oprijden, hem van de logie naar den oven brengen.

OPRITSEN, werkw., onov. (zijn). = Heimelijk wegloopen. S. R.

Ook wegritsen.

OPSCHIETEN, werkw., onov. (zijn). — Z. I.

— = Driftig worden. C. S. K. erigere se subito. Hij schoot in eens op en stak zijn vuist uit.

Zuidned. bij V.

Bij D. zich opschieten.

Z. Verdam.

OPSCHIETEND, bijv. nw.. = Opvliegend , driftig. D. Hij is nogal opschietend van aard.

OPSCHOOVEN , werkw., overg.. = Op schooven binden. Het graan opschooven.

— Z. I.

OPSCHROEPEN, werkw., overg.. — Z. Schroepen. I.

OPSLOOVEN , werkw., overg.. — Z. I.

— onov. (zijn) = Opschuiven. D. De pijpen van uw broek zijn te nauw , ze zullen opslooven.

OPSMAKKEN, werkw., overg.. — (Steenb.) Den steen opsmakken, hem in de handen werpen van dengene die hem in den oven tast.

OPSNIJDER , z. nw., m.. — Z. Opdraaier, I. C.

OPSNOEIEN, werkw., overg.. —Z. Opklatten. C. S.

OPSOLFEREN. werkw., overg.. —(Biem.) Nen korf opsolferm, er sulfer onder doen branden. Die zijnen korf opsolfert veur den Winter , bewaart hem tegen schimmel en wasmot.

— Z. I.

OPSTA, bijw.. \-Z. Sta(de).

OPSTEKKEN. werkw., overg.. — Z. Spillen, I.

— = (Timm.) Bij middel van stekken met de lijmschroef vergaren. Een deur , een raam opstekken

OPSTIJVEN, werkw., onov. (zijn). — Z. I.

— = Een weinig vriezen, 't Is niet veel gevrozen, 't is enkel wat opgesteven.

— (hebben) = Bijbieden. Als de koeien niet van trok zijn , moet ge altijd maar opstijven, zoo zullen ze tot hunnen prijs wel komen.

— overg..— (Voerman) De lijn opstijven, ze doen spannen.

ior.

Sluiten