Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Spreken" wordt hier genomen voor „besluiten", want God sprak geen enkel woord, maar besloot bij Zichzelven, wat gebeuren zou. Niet dat Hij op nieuw moest beraadslagen gelijk menschen, om over eene zaak, die hij pas vernomen had een oordeel uit te brengen. Maar dit wordt alleen gezegd, met het oog op onze zwakheid, opdat wij nooit zouden denken aan den zondvloed, zonder dat ons tevens te binnen komt, dat hij eene rechtmatige straf van God geweest is. Voorts is God niet tevreden met de straf der menschen, maar strekt ze uit tot de dieren en het vee en de vogelen en alle soort van levende zielen.

En daarin schijnt Hij de maat te buiten te gaan, want hoezeer Hij de goddeloosheid der menschen haatte, waartoe diende het om tegen onschuldige dieren te woeden ? Doch het moet ons niet verwonderen, dat zij, die ter wille van den mensch geschapen waren, en leefden tot zijn gebruik, in zijnen ondergang moesten deelen. Niet de minste schuld hadden de ezels en koeien, noch het overige gedierte, maar omdat zij aan den mensch onderworpen waren, werden zij bij zijn val in denzelfden ondergang meegesleept. De aarde was, als het ware een rijk huis, met allen overvloed en verscheidenheid van huisraad toegerust. Wijl nu de mensch ook de aarde zelve heeft verontreinigd met zijne misdaden, en alle schatten, waarmee ze vervuld was heeft bedorven, wilde de Heere daarin ook een herinneringsteeken aan de straf oprichten, evenals wanneer een rechter een zeer slecht en misdadig mensch zal straffen, en tot vergrooting zijner schande beveelt zijn huis tot den grond toe af te breken. En dit heeft ten doel, ons schrik tegen de zonde in te boezemen, want hoe groot de gruwelijkheid daarvan is, valt gemakkelijk te begrijpen, als deze zich over de stomme schepselen uitbreidt.

8. Noacli vond genade in de oogen des Heer en. Dit is een Hebreeuwsche uitdrukking, die beteekent, dat God hem genegen en gunstig geweest is. Want aldus plegen de Hebreen te spreken „zoo ik genade gevonden heb in Uwe oogen", als zij bedoelen „zoo ik U aangenaam ben", of „zoo gij mij genegen zijt". En dat is daarom opmerkelijk, omdat enkele ongeleerden zonder grond meenen, dat als de menschen voor God genade vinden, zij die door hunne eigene vlijt en verdienste krijgen. Wel stem ik toe, dat hier wordt gezegd, dat Noach Gode

Sluiten