Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor hem afliep, want hij kreeg te doen met trotsche en verkeerde gastvrienden, wier gewoonten moeilijker te verdragen waren, dan de worsteling met de onvruchtbaarheid van den grond. Aldus boet hij voor zijne hebzucht, want hij lette alleen op de lieflijkheid der landstreek.

Laat ons uit dit voorbeeld leeren onze oogen niet te vertrouwen, maar meer op onze hoede te zijn voor de verleiding daarvan, opdat zij ons niet onvoorbereid omringen met vele tegenspoeden. Zoo is Lot, die meende, dat hij het Paradijs bewoonde, bijna tot in de hel afgedaald. Maar lijkt het niet wonderlijk, dat Mozes, de Sodomieten willende beschuldigen van de grootste misdaden, zegt, dat zij slecht zijn geweest voor het aangezicht des Heeren, en niet voor de menschen ? Want als men rekent met den rechterstoel Gods, moet alle mond gestopt worden, en ligt de geheele wereld voor God verdoemelijk. Mozes schijnt dus zoo te spreken, om het kwaad wat te vergoelijken. Doch de zaak staat geheel anders. Hij bedoelt, dat zij niet gebukt gingen onder de algemeene zonden, die overal onder de menschen heerschen, maar dat zij verslaafd geweest zijn aan vervloekte schanddaden, welker geroep, gelijk wij straks zien zullen, opklom ten hemel, en tot God om wraak riep. Dat de Heere hen echter voor een geruimen tijd droeg en dat niet alleen, maar hen de vruchtbaarste streek liet bewonen, schoon zij het levenslicht geheel onwaardig waren, moet ons leeren, dat de goddeloozen geen reden hebben om zich te vleien, als de Heere hen een tijd lang verdraagt, ja, als Hij hen welwillend en gul behandelt en Zijne liefde met hunne ondankbaarheid wedijvert. Al verheffen zij zich in hunne dartelheid en al woeden zij tegen God, de kinderen Gods worden gewaarschuwd, hun geluk niet te benijden, maar een weinig te wachten, totdat de Heere hen opschrikt uit hunnen roes en voor zijn ontzettend gericht daagt. Daarom verhaalt Ezechiƫl, als hij spreekt over de Sodomieten, Ezech. 16 : 49, dat dit de oorzaak van hunnen ondergang geweest is, dat zij verzadigd zijnde van brood en wijn en bij overvloed van genot, zich trotsch en wreed gedroegen jegens de armen.

14. En de Heere zeide tot Abram. Thans verhaalt Mozes dat aan Abram na de scheiding van zijn neef, van Godswege troost is verschaft tot balsem voor zijn gemoed. Zonder twijfel was dit de diepste wonde dier verwijdering, dat hij gedwongen 19

Sluiten