Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nu heeft de inleider, eigenlijk gezegd, behalve de vragen die hij heeft geannonceerd, een prealabele kwestie behandeld, n.1. dé vraag van de verhouding tusschen den voogdijraad en de wettelijke bepalingen waaraan dit college zijn werkzaamheid heeft ontleend.

Heb ik het goed begrepen, dan verkondigt de inleider deze leer, dat in ieder geval, waarin sprake is van meerdere of mindere verwaarloozing van een minderjarige, de voogdijraad ambtshalve heeft in te grijpen, en toe te passen het instituut van ontzetting, en dus ambtshalve den gezinsband moet doorsnijden. Op die manier, M. de V. zou de voogdijraad zijn de slaaf van de wet, en niet haar orgaan. De inleider heeft gezegd, ge moet niet spreken van wat gij nuttig zoudt achten, maar gij moet spreken van wat gij wettelijk zoudt achten. In ieder geval van verwaarloozing, ook al kan de ouders geen verwijt treffen, moet dan toch de ontzetting uit de ouderlijke macht uitgelokt worden. In dat juridische punt verschil ik absoluut van meening met den inleider. Ik meen, dat het college van den voogdijraad, evenzeer als de rechtbank, niet moet zijn het weiktuig van de wet, doch veeleer omgekeerd. Wanneer ik de wet lees dan is trouwens ook de strikte letter van de wet niet in het voordeel van den inleider, maar in het mijne; want die strikte letter legt den voogdijraad noch den rechter eenige verplichting op, om ontzetting uit te lokken bij verwaarloozing. Wanneer het wordt geacht in het belang van den minderjarige, dan kan ontzetting worden uitgesproken; zoo blijft dus nog altijd het orgaan, dat die ontzetting uitspreekt, dat zich moeten afvragen of in het bepaalde geval de wenschelijkheid, de oppertuniteit bestaat om ontzetting uit te lokken.

Dit is een kleine afdwaling op het gebied van wetsuitlegging.

Het is beslist noodig, dat men in het begrip „ontzetting" houdt het vereischte van de verantwoordelijkheid der ouders voor datgene, wat men hun ten laste legt. Men oefent hier

Sluiten