Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

worden, ik was bezield met het vaste voornemen mij geheel naar hem te voegen.

Volgens Walters berekening konden wij nog net een paar uur voor de aankomst van de boot, die Nel naar Engeland bracht, te Southampton aankomen. „Die brief, waarop Nel doelt, moet verloren zijn gegaan," vertelde hij mij. „Het is erg vreemd."

Ik begreep nu ook, waarom Nel mij zoo zelden had geschreven, zij had dit gelaten uit een zeker soort van kieschheid, omdat het tegen haar gemoed streed zusterlijk teeder te zijn tegen een zuster, wie zij de liefde van haar man had ontstolen.

Toen wij in Southampton aankwamen, wachtte ons daar een groote teleurstelling. De boot was reeds 's morgens aangekomen. De stewart wist ons niets anders te vertellen, dan dat Mrs. Ebeling zeer zwak was geweest en door twee dames meegenomen was naar Londen. De kleine Jan was vroolijk en wel geweest. De man noemde ons den naam van de dames, maar wist haar adres niet.

Wat nu gedaan? Naar huis terug? Hadden die dames haar op een Hollandsche boot gebracht? Hadden zij haar meegenomen naar Londen naar haar eigen huis?

Mistroostig zochten wij een hotel op om een paar uren uit te rusten, eer wij naar Londen terugspoorden.

Toen wij in de eetzaal zaten en overlegden wat ons te doen stond, gaf Walter mij een wenk om te zwijgen en bemerkte ik, dat hij zijn best deed, het gesprek te verstaan, dat aan het naaste tafeltje gehouden werd. „Het zijn passagiers van de „Queen Victoria"," zeide hij na eenige oogenblikken. „Ik zal eens zien, van hen iets meer omtrent Nel te weten te komen."

Sluiten