Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een luid gejammer werd het nieuws vernomen; handenwringend liepen zij, die aan den voet van den dijk woonden, naar hunne woningen, om hun kostbaarheden te redden, en de burgemeester gaf bevel, om de noodklok te luiden.

Er kwam allengs beweging, drukte op de anders zoo stille, landelijke binnenwegen. Men zag mannen, die in hun vervaardheid vergaten, om den vlegel weg te werpen, waarmede zij zoo pas het koren op de harde, leemen deel hadden gedorschen, naar buiten stormen, vrouwen met opgestroopte mouwen de waschtob in den steek laten, terwijl sommige jonge boeren zich reeds op het losse paard hadden geworpen, en wegrenden naar den dijk, om toch de oorzaak van dat gelui te weten. Want de klok klepte al door, schel en gejaagd, en het geluid werd op de vleugelen van den wind wijd weggedragen tot diep in den Waard. Sommigen gisten, dat er brand was, doch er was geen rookwolk en nog minder een vlam te bespeuren. Anderen vermoedden, dat die kerel met dat lange, zwarte haar en die woestrollende oogen, die eergister wegens brutale bedelarij in het torengat was geworpen, door zijn duivelskunsten was ontsnapt, en dat de goedgezinde burgers nu werden opgeroepen, om hem dood of levend terug te brengen. Doch ook deze meening hield geen steek, want Kees van den Hengstenboer wist uit goede bron, dat die brutale kerel een zware ziekte onder de leden had gehad, en gister naar het stedelijk gasthuis was vervoerd.

Maar wat moest dat akelig gelui dan toch beteekenen ? Zou er werkelijk een overstrooming dreigen? Reeds de

Sluiten