Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

er van terstond een eigenaardigen indruk op hem gemaakt had. Terwijl allen toch zichzelf voorgesteld hadden, waren zij dien eenen voor geweest, om nadruk te kunnen leggen op het praedicaat van jonkheer vóór zijn naam, van Weerden. Deze had toen ook niet, zooals de anderen, terstond de hand naar Max uitgestoken, doch eerst gesalueerd op een wijze en in een houding, die evenals zijn geheele voorkomen en kleeding zijn streven verraadden, om den Duitschen officier na te volgen.

„Heb je bagage, van Bremse? Hier heb je den oppasser, die wij voor je uitgezocht hebben," zei van Herpen, en tot dezen voortgaande: „kom eens hier, jongenheer, en breng die hoededoos en dat handkoffertje op de kamer van den luitenant in de Nieuwstraat, boven dien schoenmaker, die daar woont."

Max — het was nog in den tijd, dat de cadetten bijkans nooit met den troep in aanraking kwamen — had medelijden met den kleinen milicien, die zooveel te dragen kreeg, en mompelde iets van dat hij zelf ook wel wat voor zijn rekening kon nemen; doch het eenvoudig antwoord „wel neen, dat kan hij best, hoor; thuis liep hij wel met heele varkens op zijn nek" was voldoende, om den goedigen boerenjongen aan zijn lot over te laten, en vroolijk pratende trokken allen het stadje in: van Herpen met Max voorop.

„Nou kerel, je bent zeker lekker met je plaatsing hier? Een verduiveld aardig garnizoentje, hoor! Een goede tafel, waar alle ongetrouwde luitenants op één na samen aan eten, een gezellige societeit, en bovendien een hoop lieve meisjes! Je houdt immers veel van dansen?"

„Ja zeker," zei Max, terwijl hij links en rechts zijn oogen den kost gaf.

Sluiten