Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

16. En de huid der geitenbokjes deed zij om zijne handen, en over de gladdigheid van zijnen hals.

17. En zij gaf de smakelijke spijze en brood, die ze had toebereid, in de hand van Jacob, haren zoon.

18. Zoo kwam hij tot zijnen vader en zeide, Mijn vader : Hij nu antwoordde: Zie hier ben ik, wie zijt gij mijn zoon ?

19. En Jacob zeide tot zijnen vader: Ik ben Ezau uwen eerstgeborene, ik heb gedaan, gelijk gij gesproken hebt tot mij; sta nu op, zit en eet van mijn wildbraad, opdat uwe ziel mij zegene.

20. En Izaak zeide tot zijnen zoon: Wat is dit, dat gij gehaast hebt, om tot mij in te komen, mijn zoon ? En hij antwoordde hem: Omdat de Heere, uw God, ze voor mijn aangezicht deed ontmoeten.

21. Toen zeide Izaak tot Jacob: Nader nu toch, en ik zal u betasten, mijn zoon, of gij mijn zoon Ezau zelf zijt, of niet.

22. En Jacob naderde tot Izaak, zijnen vader, en deze betastte hem en zeide: Uw stem, is de stem van Jacob, maar uwe handen zijn die van Ezau.

23. En hij herkende hem niet, omdat zijne handen even harig waren als die van Ezau zijnen broeder, en hij zegende hem.

24. En hij zeide: Zijt gij mijn zoon, Ezau? En hij antwoordde : Ik ben het.

25 Toen zeide hij : Kom dichter bij mij, en ik zal eten van het wildbraad mijns zoons, opdat mijne ziel u zegene. En hij naderde tot hem en hij at, ook bracht hij hem wijn en hij dronk.

26. En Izaak zijn vader zeide tot hem : Nader thans en kus mij, mijn zoon.

27. En hij naderde en kuste hem; en Izaak rook den reuk zijner kleederen en hij zegende Hem, en zeide : Zie, de reuk mijns zoons, is als de reuk des lands, dat de Heere gezegend heeft.

28. En dat God u geve van den dauw des hemels, en van het vette der aarde, en veelheid van koren en nieuwen wijn.

29. Dat volken u dienen, en zich voor u buigen, wees heer over uwe broederen, en de zonen uwer moeder

Sluiten