Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3io april. ZAAKEN VAN 1787.

vergunnen , de vryheid en gelegenheid orn deze te ampliëren.

Ook vertrouwen wy dat de intentie van ü Edele Groot Mog. alleen maar is geweest , thans ons nader bericht te requireren over de ' Magiftraats-beftelling, en niet teffens over de Eleétie der Kaden in de Vroedfchap onzer Stad, dewyl de verzogte augmentatie van dat Collegie , over weltte men hoopt dat eerstdaags finalyk by U Edele Groot Mogende zal werden gedelibereerd en gerefolveerd, de fpoedige afdoening van het verfchil over de fuppletie van vacatures , welke thans niet exteren, minder noodzaaklyk fchynt te maken, — en waar over wy dierhalven verzoeken des noods een nadere afzonderlyke Memorie aan U Edele Groot Mog. te mogen

inleveren, terwyl dat gedeelte van ons

vorige verzoek ook eenigzins van natuur is veranderd ,door de ACLe van Non-fraïjudicie, onder welke Zyn Hoogheid den jongden Raad onzer Stad heeft geëügeerd.

Wy zullen dieshalven ons by dezen alleen bepalen tot ons gedane verzoek over de verkiezinge der Burgemeesteren en Schepenen van onze Stad. En I Ter toetfe brengen 't geen daar tegen is ingebragt, door onze Mede-Raden, in derzelver voorfz. Bericht van 20 Maart 1780, en dan II. De allegatien welke dear by gevoegd worden, in de Misfive van Zyne Hoogheid van den 7 December. I. Onze XIV Mede-Raden tonen zich niet weinig verwonderd, dat wy eene gedecideerde Minderheid van de Vroedfchap dezer Stad uitmakende , echter de tusfchenkomst van U Edele Groot Mog. hebben geïmploreerd en niet goedgevonden te berusten, in de Conclufie by de Meerderheid genomen, om de Propofitie wel door de Heer Gevers alleen gedaan,

Sluiten