Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eèri groote Ourangoutang, die, uitwljzens alle bijkomende omftandigheeden, een aapsperzoon van gezag was, liet een wit klein hondje gevangen zetten, alleen om dat dit beestje de vrijheid genomen had, om van verre eens aan het gat van den Ourangoutang te ruikert.

Een ander van dit groot gedierte hield in elke poot een klein weerloos aapje, het zelve onbarmhartiglijk langs den grond, door flijk enfteenen, heen fleurende, en dat om geene andere reden; dan omdat deeze aapjes, toen zij, nog. twintig flappen van den ourangoutang af zijnde, niet op zijde waren geiprongen , én hun nedrig compliment tegen zijne Grootheid gemaakt hadden.

Elders zagen wij eenige jongens vah de ourangoutangseene verfchriklijke flagting ónder de aapen en honden aanrigten; Zij deeden dit weereloos geflagt allerlei folteringen aan. Men floeg ze blaauwë oogen; de tanden aan bloed; men bond zo aan de boomen; wierp ze in 't water; hakte ze de pooten af; of beroofde ze van andere ledemaaten; andere jonge ourangoutangs waren'bezig met de aapennesteri en hondenhokken af te breeken, en derf E &

Sluiten