is toegevoegd aan je favorieten.

Mensch, God en onsterfelijkheid

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wat den physieken kant aangaat: de menschelijke anatomie was al eeuwen lang bestudeerd en stond, naar ik stel, in haar hoofdlijnen al stevig vast lang voor de verschijning van Darwin; de nieuwe gedachte evenwel, die nu de wetenschap werd binnengevoerd, was, dat het menschelijke lichaam, evenals alle dierlijke vormen, niet een voleindigde schepping is, niet een onveranderlijk vaststaand type, dat door de natuur ontworpen of door God geschapen werd in éénen slag, maar eerder een voorloopig resultaat, het gevolg van een langdurig proces, dat meer doet denken aan een groei dan aan een bouw of schepping, een groei, waarbij wij geen reden hebben te veronderstellen, dat hij op heeft gehouden, maar die waarschijnlijk altijd nog verder door zal gaan en ten gevolge kan hebben, dat onze afstammelingen evenveel van ons zullen verschillen als wij van onze verst verwijderde stamvaderen op de ladder van bezield leven. Het is alleen de traagheid van dit proces, die de beweging voor onze oogen verheelt en de voor menschelijke ij delheid zoo vleiende gevolgtrekking doet oprijzen, dat de natuur in ons haar uiterste volkomenheid heeft bereikt en niet verder kan. Een direct gevolg van de verkondiging der evolutietheorie was, dat zij aldus een geweldigen stoot gaf aan de vergelijkende ontleedkunde, want nu werd erkend, dat 's-menschen lichaam niet een op zichzelf staand bouwsel is, maar nauw verwant aan dat van vele andere dieren, en dat de eene bouw niet volkomen zonder den anderen kan worden begrepen. Niet de minst belangrijke tak van wat wij de moderne ontleedkunde kunnen noemen, is de wetenschap der embryologie, die door vergelijking van menschelijke en dierlijke embryo's hun nauwe overeenkomst gedurende een aanmerkelijk tijdsverloop kon aantoonen en zoo een krachtig argument opleveren ten gunste van de gevolgtrekking, dat de mensch en wat hij de lagere dieren noemt, een gemeenschappelijken oorsprong hebben gehad, en dat zij een onberekenbaren tijd lang waarschijnlijk bijna evenwijdige banen van ontwikkeling hebben doorloopen. Werkelijk blijkt uit de embryologie, dat dezelfde ontwikkelingsgang, die wij als de voorgeschiedenis van ons ras aanmerken, zich in hoofdtrekken weer herhaalt in de levensgeschie-