is toegevoegd aan je favorieten.

Mensch, God en onsterfelijkheid

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van den graszaadman betreft, staat dit ceremonieel van zaadblazen op precies hetzelfde peil als het ceremonieel van het uitstorten van zijn eigen bloed over steenen, zooals het door een man van het kangoeroetotem met groote plechtigheid tot vermenigvuldiging van kangoeroes wordt voltrokken. Maar in de oogen der natuur en de onze hebben die twee ceremoniën een heel andere waarde. Wij weten, dat wij ons bloed op steenen kunnen uitstorten, tot wij er bij sterven, zonder één enkele kangoeroe uit die steenen voort te brengen, maar wij weten ook, dat, als wij zaden in de lucht rondblazen, er enkele zeer waarschijnlijk in den grond zullen dringen, ontkiemen en vrucht dragen naar hun aard. Zelfs de wilde zou mettertijd kunnen leeren opmerken, dat, hoewel er zonder twijfel gras ontspruit uit den grond, waar de graszaadman het zaad rondblies, geen kangoeroes ooit opsprongen uit de steenen, bevrucht met het bloed van den kangoeroeman, en als dit eenvoudige feit zich eenmaal sterk op het onbeschreven blad van zijn geest had afgedrukt, zou de graszaadman met goed gevolg kunnen voortgaan zijn graszaden te verspreiden lang nadat de kangoeroeman had opgehouden de rotsen met zijn bloed te besmeuren in de ij dele verwachting daaruit een oogst van kangoeroes te verwekken. Zoo zou met den vooruitgang van kennis de magie van den graszaadman in de openbare achting stijgen, terwijl die van den kangoeroeman in minachting kwam. Uit zulk een onaanzienlijk begin zou in den loop der eeuwen een redelijk stelsel van landbouw kunnen worden ontwikkeld.

Aan den anderen kant is het mogelijk, dat menschen, die dieren voor hun totem hebben, toevallig hun toevlucht nemen tot gevolgrijker methoden tot vermenigvuldiging dan het storten van bloed op steenen. Zij zouden namelijk dieren kunnen vangen en temmen en ze doen voorttelen in den gevangen staat. Zoo kan totemisme gevoerd hebben tot het verkrijgen van tam vee.

46. DE ROL DER VROUW IN HET ONTSTAAN VAN

LANDBOUW. *)

In de gebruiken van wilden, die totaal onbekend met landbouw

!) The Golden Bough, V, The Spirits of the Corn, deel I, blz. 128—129.