is toegevoegd aan je favorieten.

Mensch, God en onsterfelijkheid

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zijn, kunnen we misschien eenige der stadia ontdekken, waardoor het menschdom voortgeschreden is van het nuttigen der wilde vruchten op aarde tot een stelselmatig kweeken van planten. Want het omwroeten der aarde bij het zoeken naar wortels, wat voornamelijk het werk van vrouwen is, heeft waarschijnlijk in veel gevallen geleid tot een rijker en vruchtbaarder maken van den bodem en een vermeerdering van den oogst aan wortels en kruiden, en zoo'n vermeerdering zou natuurlijk de inboorlingen in grootere getale tot zich trekken en hen in staat stellen langere tijden op die plek te blijven toeven zonder door een spoedige uitputting van den oogst te worden gedwongen van woonplaats te veranderen en weg te trekken op zoek naar nieuwen voorraad. Daarenboven zou het wannen van Zaad door vrouwen op een grond, die reeds door hun graafstokken was omgewoeld, natuurlijk tot hetzelfde gevolg kunnen meewerken. Want ofschoon wilden op het peil van de Californische Indianen of Australische inboorlingen geen begrip hebben van het gebruiken van zaden tot eenig ander doel dan voor onmiddellijk gebruik, en het nooit bij hen is opgekomen om ze in den grond te zaaien en zoo een tijdelijk verlies te lijden terwille van een latere winst, is het toch bijna zeker, dat bij het wannen van zaden ter bereiding van voedsel veel korrels moeten zijn verloren gegaan, die, door den wind weggedrevenen den omgewoelden grond zijn gevallen en daar vrucht hebben gedragen. Dus was met het werk van grondomwoelen en zaadwannen, hoewel geen der beide bewerkingen op iets verders doelde dan op het bevredigen van den onmiddellijk nijpenden honger, toch de wilde of liever zijn vrouw onbewust bezig voor de geheele gemeenschap een toekomstigen en overvloediger voorraad voedsel te bereiden, die hen in staat zou stellen zich te vermeerderen en de oude zwervende, verkwistende levensgewoonten vaarwel te zeggen voor een gevestigder en spaarzamer wijze van bestaan. Zoo eigenaardig kan soms de mensch, met zijn pijlen mikkende op een nabij en nietig oogmerk, een grootscher en verder verwijderd doel treffen.