Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dien avond ontving Baron von Giesl, de Oostenrijkseh-Hongaarsche gezant, het antwoord van de Servische Regeering.

„De Koninklijke Servische Regeering" — zoo ving dit Staatsstuk aan — „is in het bezit van de mededeeling van de Keizerlijke en Koninklijke Regeering van den 23en dezer, en is overtuigd, dat haar antwoord elk misverstand zal wegnemen, dat dreigen mocht, de goede betrekkingen van nabuurschap tusschen de OostenrijksehHongaarsche Monarchie en het Koninkrijk Servië te. verstoren".

Doch in de nu terstond volgende zinsnede kwam al aanstonds een uitlating voor, die voor de „wegneming van het misverstand" hinderlijk genoemd kon worden.

Na dén 31en Maart 1909, zoo verzekerde Servië, was „geen poging gedaan, noch door de opeenvolgende Koninklijke Regeeringen noch door hare organen, om den in Bosnië en Herzegowina geschapen staatkundigen en wettelijken staat van zaken te veranderen".

Voorts werd verklaard, dat de Koninklijke Regeering niet verantwoordelijk kon worden gesteld voor betoogingen van particulieren aard, zooals artikelen in de pers en het vreedzaam werk van vercenigingen — betoogingen die in bijna alle landen in gewone omstandigheden plaats hadden, en die meestal aan de ambtelijke contröle ontsnapten.

Wat nu de eischen betreft, welke de Oostenrijkseh-Hongaarsche Regeering had gesteld — de Servische Nota zeide o.a. toe, dat ,

1°. de „Narodna Odbrana" zou worden ontbonden;

2°. uit het openbaar onderwijs zou alles worden verwijderd, wat de propaganda tegen Oostenrijk-Hongarije aanwakkerde, zoodra door de Monarchie daarvoor de feiten en bewijzen zouden zijn verschaft;

3°. de officieren en ambtenaren, die zich aan daden, gericht tegen de onschendbaarheid van het grondgebied der Monarchie, hadden schuldig gemaakt, zoodra zulks uit het gerechtelijk onderzoek zou zijn gebleken, zouden uit 'sLands dienst verwijderd worden;

4°. de medewerking van vertegenwoordigers der Monarchie bij de onderdrukking der revolutionaire beweging tegen de Monarchie zou worden aanvaard, voorzoover die strookte met de beginselen van het internationaal recht, met de strafrechtelijke procedure, en met goede betrekkingen van nabuurschap;

5°. niet kon worden aanvaard de deelneming door OostenrijksehHongaarsche gedelegeerden aan het onderzoek naar de medeplichtigen van den Vorstenmoord van 28 Juni, als zijnde zulks in strijd met de Grondwet en met de wet op de strafrechtelijke procedure;

6°. de maatregelen tegen den sluikhandel in wapenen en munitie zouden worden verscherpt.

7fi

Sluiten