Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meer voor hen, voor hun vrouwen en kinderen. Mogelijk was de

vijand al tot voor de poort Weg, weg dus, zoo spoedig ze

maar konden.

Een wilde paniek beving de Luikenaren. Ze snelden naar de stations, ze wierpen zich in vervoermiddelen van allerlei aard, rijken en armen dooreen, mannen zoowel als vrouwen .... de grond brandde hun onder de voeten; de stad waarop ze zoo trotsch steeds waren, had voor hen

geen | bekoring

meer wég

wilden ze: naar het veilige westen, naar Tongeren, naar de hoofdstad zelfs...

Een oógenblik kwam in één der voorsteden de paniek tot stilstand en vervulde luid gej uich de lucht. Het was, toen van de zijde van het fort Pléron in snellen stormloop een troep soldaten binnen de stad kwam, soldaten in een vreemde, veldkleurige uniform. Dat moesten de Engelschen zijn, de verwachte

bevrijders.

-Vivent les Anelais!'

„Leven de Engelschen!"

Maar plotseling riep een stem, dat die vreemdelingen Duitschers waren, Alboches. En de houding der soldaten, die koel-onverschillig gebleven waren voor het gejuich, bevestigde de waarheid van dien uitroep.

"Het waren werkelijk Duitsche soldaten. Met onstuimigen moed hadden zij een aanval op de Belgische stellingen gedaan en gepoogd tusschen de forten Fléron en Chaudfontaine door te dringen. Hevieren

De Duitsche Keizer, die van het begin van den Oorlog zich onder zijn troepen begaf, ontvangt een bericht van een nhlaan. Aan zijn linkerhand zit Graaf von Moltke.

klonk het jubelend uit» de monden.

Op Leven en Dood. 14

209

Sluiten