Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een moedig volk, die Duitschers!

Zéggen, dat men nooit zal toelaten, dat één vijand zijn voet zal zetten op den vaderlandschen grond; dat men het leven veil heeft voor zijn vorst en sterven wil voor zijn land — het is heldhaftige

taal. Maar zéggen en doèn zijn twee en — daden van stouten

moed mogen inderdaad zeldzaam worden geheeten.

Doch de Duitschers, althans zij, tot wie de roep van hunnen Keizer had weerklonken, om hem „treu durch not und tot zum Krieg" te volgen, paarden aan heldhaftige taal heldhaftige daden ...

Het was de 6e Augustus, zeer vroeg in den morgen.

Een kleineDuitschetroepen-afdeelïng had zich "van de hoofdmacht voor één der Luiksche forten afgescheiden. Stil en voorzichtig ging het voorwaarts. De ruiters hadden de harde hoeven hunner paarden met doeken omwonden, opdat niet het geluid van hun gang aan de uitgezette Belgische schildwachten zou verraden, dat deze kleine

cavalcade een aanslag op Luik en op zijn commandant in den zin had.

Een aanslag op Luik? Durfden die enkelingen het bestaan, om deze door zoo sterke forten beschermde stad binnen te dringen; om zich van den door honderden, neen duizenden bewaakten bevelhebber meester te maken ?

Ja, zij durfden het. Ze waren immers Duitsche soldaten! Vrijwillig hadden zij zich aangeboden,

toen, den avond • ?en dokter van het Roode Kruis in het Koninklijk Paleis te Brnssel, dat door de Koningin der Belgen voor ziekenverpleging was beschikte VOren, liet haar gesteld, wakend bij een /.waar gewonden Relg. die met heldenmoed voor de onafhankelijkheid van zijn land bij Visé had gestreden.

2VÓ

Sluiten