Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

•dan goed zal doen, en toch mag ik mij niet in deze zaak mengen zonder mijn standpunt duidelik te maken. Dit ben ik aan mijn volk •en mij zelve verschuldigd. Ik ben nog niet sterk, de ontzettende tijden waarin wij leven laten hun nadelige invloeden op mij reeds gevoelen, daarom had ik gehoopt dat ik buiten deze strijd zou kunnen blijven om in stilte en daar waar ik kan mijn invloed te doen gelden om de gemoederen tot bedaring te brengen. Ook nu nog meen ik dat dit voor mij de doeltreffendste weg is. Mijn positie is moeilijk. -Jk kan mij met moeite bewegen en kan dus niet naar het volk gaan. Ik kan hen ook niet toespreken, daar zelfs het spreken in gewone omgang somtijds moeilik gaat. Een open brief met de inhoud zoals hierboven gesteld is ongewenst. Ik begrijp uw moeilikheid en wil niets doen om uw taak nog moeiliker te maken. Ik heb openhartig geschreven, zodat u mijn positie kan verstaan en ook mijn verlangen om in deze tijd buiten de strijd te staan kan begrijpen".

Botha kon nu weten, hoe de groote Afrikaner over zijn politiek oordeelde: hij veroordeelde haar. Al werd het nog "zoo zacht gezegd, Botha wist het thans, dat hij van deze „grootste figuur" geen vrijspraak te wachten had.

Geen wonder, dat Botha daarom den 13en October, in een tweede schrij ven aan den President, — waarin hij nog trachtte, Maritz' verraad voor te stellen als een uitvloeisel van een complot, dat reeds bestond vóór de Regeering tot den Oorlog tegen Duitsch-Zuid-Wesf was besloten — verzocht, geen woord over het verraad te zeggen.

„President,"— zoo schreef hij — „als u dat woord niet anders kan spreken dan in de vorm zoals door u aangeduid, dan is het beter niets te zeggen want dat zou ons volk niet aanmoedigen om getrouw de overheid in deze krisis bij te staan — eerder het tegendeel".

Doch de storm verhief zich steeds hooger en Botha werd — het was eigen schuld, die hem plaagde — radeloos.

President Ste'ijn, en hij-alléén, kon den toestand nog redden, overdacht hij; dié-alleen kon door zijn woord De Wet, Beyers en de anderen nog terug houden van wat zij voornemens waren.

Den 22en October schreef Botha aan Steijn: , „Ons volk ziet nog steeds tot u op als zijn grootste figuur en zal naar u luisteren, zoals naar niemand anders onder hen. Die positie legt op u de verantwoordelikheid om niet langer stil te zitten, maar al uw invloed te gebruiken om deze ramp te keren. Ik acht het noodzakelik dat u zonder verzuim een brief aan De Wet, Beyers en Kemp zende door uw zoon Colin én andere vertrouwde mannen en hen óf naar u laat roepen óf op enige andere wijze hen keren van het pad des verderfs waarop zij nu zijn. Indien zij naar u komen, zal de Regering niets doen om hen te arresteren en alle faciliteiten voor uw boodschappers verschaffen. President, doe uw best deze

269

Sluiten