Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Er is geen meid."

„Och een klein gezin. Twee menschen."

„Wat zou dat? Grootheid bedient zichzelf niet. Mevrouw Duchattel van Haastrecht, denk daar eens aan. Hoeveel volk zou daar dienen? Die is maar alleen."

„O die maar zóó rijk. Rijk, rijker en rijkst is er.

Kameniers, tuinlui en huisknechts houden, auto's en gespan, daarvoor komt nog wat anders kijken."

„Ja, ja, rijk en rijk," beaamt de kastelein Johan en bedient zichzelf.

„Zou Hubert Montijn wel rijk zijn?" vraagt de postdirecteur in de buitensocieteit.

„Waarom? Rijk, natuurlijk." Er is veel aandacht. „Hij ging daar juist voorbij," zegt Merx. „Daarom, ik zag hem. Zou hij rijk zijn?" „Waarom? Is er wat?"

„Neen, neen, ik vroeg maar. Hij is dus wel rijk?"

„De oude heer was Notaris, lange jaren. Diens Vader ook. Altijd vroeger hier Montijns gehad, menschenheugenis."

„O juist Notaris, en in goeden doen. Juist, dus

Hubert is rijk. Ja, 't is zóó; ik ben hier maar import der laatste jaren. Maar U mijnheer Boer, wat zegt U ervan? U kende zijn grootvader natuurlijk nog wel?"

„Veel hooge boomen zien vallen."

„Ah zoo?"

„Maar zou hij nu rijk zijn, Hubert?"

„Jelui, met dat gezeur." Dat is de apotheker, de schalk

3

3

Sluiten