Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die altijd wacht tot hij 't nieuwtje weet en dan onverschilligheid veinst. Maar ze kennen hem aan de soos. „Vraag het hem zélf," raadt hij aan. „Wordt er noggewbist?"

Er wordt ge whist, in twee ploegen zelfs. Woorden worden geworpen van het eene tafeltje naar het andere, 't Gesprek is nog niet dood over den notariszoon.

„Vraag het hem zelf: mooie woorden ap'thekertje. Wie vraagt het hem zelf? Knappe knaap die 't aandurft." De spelers grinneken.

„Ik heb nog nooit zooiets hoeven vragen", zegt gewichtig Boer, die erg dik wordt en rood in zijn gelaat. Er wordt voortgewhist.

Hubert Montijn wandelt iederen ochtend zeer vroeg de singels langs en viermaal per week reist hij naar Rotterdam. Men kan hem ook veel op Tiendewegen vinden, bladeren en bloemen zoekend voor zijn herbarium. Dat is een liefhebberij, van den ouden heer zijn broer geërfd, zooals bij diens herbarium zal geërfd hebben en de vlinderkasten. Hubert zelf prikt geen nieuwe vlinders op, al ziet hij ook zeldzame.

Hij is immer vriendelijk, en zegt met bedachtzame overtuiging een ieder goedendag op zijn vele wandelingen. Zijn teckel bijt niet, blaft niet, snuffelt alleen maar. Kinderen aaien den teckel wel eens, hij fluit hem nooit schielijk weerom, als kinderen dat doen.

De moeder koopt al sinds jaren in dezelfde winkels,

4

Sluiten