Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maar nooit koopt ze iets bijzonders, nooit overdaad. Ze is doorgaans gekleed in nauwsluitend grijs luster; om den bovenarm draagt ze een rouwband, hoewel dat geen gebruik meer is in deze tijden voor vrouwen. Des Zondags ziet men haar zelden; dan echter draagt ze nauwsluitend zwart luster zoolang het zomert, en in den winter een lange strakke robe van zwart laken, naar den ouden trant. Zit mevrouw als het koel is aan een der hooge ramen, dan heeft zij een shawl omgeslagen van donkerblauw casimir uit den vreemde. De kunstige franjes liggen als een vreemdsoortig net op de zwarte robe. Mevrouw is zeer grijs, eigenlijk wit, maar 'tis geen sukkelwijfje; ze ziet pienter uit rustelooze kraaloogjes, ze ziet alles en zegt niet veel. Er zijn soms stonden, dat men waarnemen kan dat de tengere Hubert haar zoon is; dat ziet men als bij verheldering der oogen. Zij is nog niet ineengeschrompeld, eer rijzig en tenger. Maar als ze opveert om iets te zeggen, heeft haar hand hetzelfde koel gebaar, waaraan men den zoon kent sinds zijn jeugd. Is er voorts gelaatsgelijkenis, detailgelijkenis tusschen moeder en zoon? Dat weet niet één. 't Wordt wel eens beweerd, maar de meeningen bevechten elkander. Maar zij gelijken elkaar, 't is moeder en zoon. Beiden zijn zij afkeerig van gerucht en omgang met velen.

De moeder bezit een zilver halssieraad met groote juweelen bezet, een erfstuk. Dat droeg ze nog het laatst, toen ze haar broer die in hoogen staatsdienst is, ontving in het notarishuis; 't is lang geleden. Maar stééds draagt ze een broche van züver-fihgrain; Zeeuwsche knopjes rond-

5

5

Sluiten