Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

huis thans ingedeeld is. Dat weet zij allemaal met statige wisheid.

Zelden ziet men Hubert Montijn met zijn verloofde samen. Zij loopt, als bij haar ééns in de drie weken naar den trein brengt aan zijn linker zijde, naar den kant waar hij het hoofd buigt. Mooi zal ze vroeger wel geweest zijn; nu is ze forsch en kil. Ze neemt groote stappen, wiegt niet meer op haar heupen. Zij is acht en twintig, hij is scheef.

Wanneer ze zullen gaan trouwen is niet bekend, dat zal Gretha van der Swaay dus zelf nog niet weten. De kinderen op school houden niet van haar en zeggen — ging ze maar gauw trouwen met dien scheven mijnheer Montijn. — Maar ze knijpt niet meer zoo valsch als eerst, dat schijnt -voorbij. Jaan Ei heeft daar tenminste nooit meer over booren klagen. Zij vindt trouwens ook, dat de juffrouw aardig wat opknapt, den laatsten tijd.

„Opknapt?"

„Ja, in haar kleêr. Maar nog altijd niet genoeg. Mevrouw Montijn heeft gezegd, ze is slordig." „Is ze slordig?"

„Mevrouw Montijn heeft het gezegd. Kale grootheid, anders niets. Kan zoo'n schooljuffrouw soms in zij en fluweel gaan?"

„Ze zal geen makkelijke schoonmoeder zijn, de oude mevrouw."

„Wat dat betreft," zegt Jaan Ei subiet, want ze weet daar meer van: „Wat dat betreft is 't een raar span Ze .hebben geen woorden met elkaar, zooals ik of jij."

x6

16

Sluiten