Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Wat dan?"

„Ze koppen, meer valt er niet voor."

„Ik zou me daar nooit in begeven hebben als ik die schooljuffrouw was."

„Moet je niet zeggen. Zelf heeft ze niet dat en de Montijns hebben tenminste nog wat. 't Huis is niet bezwaard."

„Ja, zóó bezien. En op stuk van zaken trouwt ze met den zoon "

„Maar ook met de moeder. Ze kleven als klitten die lui. Denk jij, dat ze haar lieve jongen ooit alleen laat?"

„Noemt ze hem soms zoo?"

„Wat? Weet je wat ik nog meer weet? Mensch; vier en dertig wordt hij andere maand, gelijk met Gert, mijn oudste. En nog altijd komt ze 's avonds aan zijn bed; ik weet dat zeker."

„Neen toch! Dekt ze hem soms nog toe?"

„Wie weet. Ze hebben mij er niet bij geroepen."

„Rare dingen in de wereld."

„Zeg dat wel. Maar 'k zie ze nog niet getrouwd, die twee."

„Net wat je zegt, als zoo'.n moeder er tusschen zit "

„Mensch, niets dan stoken tegen Hubert, heel den lieven dag door. Dan heeft Gretha haar niet met de kopjes .geholpen, dan weer moest mevrouw alleen de vaten wasschen, terwijl de juffrouw haakte. Ja, als je 't zoo bekijkt, 't is voor een moeder ook niet alles, wanneer je altijd helderheid om je heen gewend was."

„Erg helder op haar goed lijkt ze me niet."

17

De Eenzame. 2

17

Sluiten