Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Wie, mevrouw?" „Neen juffrouw Gretha."

„Dat heb je goed bekeken. Zeg maar gerust, dat het een sloddervos is. Moet je boven komen bij Kommerijntje Vergeer. Overal ligt wat van dat ménsch, en iets wat stuk is dat maakt ze niet, dat laat zé liggen voor oud vuil op een hoop. Fijne madam zal dat worden, later als ze in haar eigen spulletjes zit. Hoewel, den laatsten tijd betert het wat, dat komt natuurlijk omdat ze door mevrouw nagereden wordt. Maar een ander ding; wist je dat ze bij Montijn tegenwoordig uit den Bijbel lezen, twee keer daags?"

„Och neen, was dat vroeger dan niet?"

„Mensch!" gilt Jaan Ei, „daar ben je ook te jong voor! Jij hebt den Notaris niet gekend in zijn dagen. Klokvrij,

een echte ouwe liberaal. Een Bijbel daar keek hij niet

naar om. Wel, hij betaalde trouw het kerkegeld, maar nooit of nooit zag je hem ter kerke."

„En nu lezen ze uit den Bijbel?"

„Ja, maar ze komen toch maar met naar de kerk. Heb jij daar begrip van. Dat noemen ze vroomheid."

„Vreemd volk."

„Zeg dat wel, vreemd volk; altijd vreemd volk geweest: en erg op zijn eigen. Ze wou wel dat het uit was tusschen die twee, mevrouw."

„Ja dat zal dan wel."

„Maar hij laat haar niet loopen. Hij weet goed wat hij doet. Z'n kop zit scheef en hij wordt een daagje ouder. Anders geen jongen waar vrouwenvleesch aan zat, nooit.'* 18

Sluiten