Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

feerde, ja ja, alles wist Jaan Ei en ze gaf dat weer met nijdige bittere schampen. Want achteraf was die schooljuffrouw toch de kwaadste niet. Door haar kwam men nog eens wat van die huichelaars uit het huis gewaar. Huichelaars ja.

Want omstreeks dien tijd was het oude paard gestorven, het paard van den notaris verscheiden, waarmee hij eertijds den boer opging met Lucas Verkerk, den koetsier die ook al in het graf ligt. Het oude paard was een rariteit van het stadje. Dat werd ieder jaar maar een jaar ouder en een graadje smaller, dat was blind op 'tlest zijner jaren en kwam niet meer overeind; het hinnikte klagelijk en ging drie keer per maand zeker dood. Als 'tdood was, kwamen de kinderen naar den paardenstal en hoorden het doode paard droevig blèten als een schaap. Hubert, die kaaskooper van Vliet per maand wat afdroeg voor stalling en voer, sloeg nooit over en was allen dag even bij het paard en praatte er tegen.

Weer ging de roep: — het paard is dood, — maar 't werd niet geloofd, aleer het doode dier vervoerd werd naar de voormalige Gemeentemark, waar het werd ingegraven.

„Heeft Hubert het vel niet verkocht?" was alom de vraag.

„Neen, 't dier ligt te rotten in zijn leer, op 't Markveld in een kuil."

Dat was niet slim van Hubert, zoomin het slim was, die juffrouw indertijd den huis uit te sturen. Want was

43

Sluiten