Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bij niet scheef en op jaren? Groeven mannen van de Achterstraat het paard toch niet op, na een dag of wat, het droge knokenbeest met de gele doode oogen? En vilden ze het niet in een schuurtje. Een paardenvel in Gouda op de Markt werd in beslag genomen. Hubert diende geen aanklacht in; toch werd het berecht, want dat wilde Schoonderwoerd, die de Mark bezat. Hubert moest getuigen in Rotterdam en herkende het paardenvel. Giel van Rooyen kreeg een maand. In 't stadje zeiden ze: weet je wie er een maand moesten krijgen? Janus Schoonderwoerd en Hubert Montijn, want ze hebben aanleiding gegeven. Wie begraaft dan ook een paard in zijn leer? —

Trouwens na dien zet met juffrouw van der Swaay, waaruit weer de oude onvergankelijke trots bleek, kon Hubert zich niet roeren, of het werd mis bevonden. Want wie laat een meisje loopen om moedersdwang? Een flauwe kerel, een slappeling en dat was Hubert; daar was een elk het over eens. Een zwakke naklank dezer praatjes drong wel tot hem door, maar Hubert ging zijn weg; studeerde, gaf vele lessen en zweeg, het hoofd opzij. Juffrouw van der Swaay was al in Meerkerk benoemd, in haar plaats kwam een kittig moederskindje van om en nabij de twintig, die ook bij Kommerijntje introk. Dat was een diertje, waar dra wel tien jongemannen omheen draaiden en dat zag ze niet eens. Ze had een fijn kopje als 't schoppenvrouwtje van het kaartspel, ook zoo'n spits venijnig kinnetje en van die rustelooze verwonderde oogen, bruin, groot en opwindend.

44

44

Sluiten