Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK III.

In een donker vertrek des ochtends: de gordijnen zijn toegeschoven. Een zingend jong meisje, ze is al buiten geweest en heeft de zomerochtendweelde als een blijde siddering door haar borstjes voelen gaan, maakt licht, trekt de gordijnen open. Het vrijgelaten witte ochtendlicht valt binnen als met een kreet, glijdt om stoelen en het tapijt en zoekt de glanspunten op kristal en meubelen. Zie daar nu de kamer, wit en glanzend, met stralen en tegenstralen, blinkend. Zóó werd een gordijn weggeschoven door een pril meisje in de kamer van een oudwordenden bedachtzamen man, die bovendien scheef is; Hubert.

Ze is gekomen als die andere, om een mondjevol Engelsch. Hij was voor haar het mirakel, dat de sleutel van vreemde landen bezit. Door hem kon ze mèèr en voornamer worden dan haar omgeving: zoo redeneert de vader, Phüip de Lieme die fortuin maakte. Maar Vrouke redeneert niet; ze gaat naar het notarishuis en belt er aan. Ze luistert lief en oplettend naar dien berg van geleerdheid. Haar leeraar

46

46

Sluiten