Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ging hopelijk verloren in het gebrekkig Engelsch, dat ze tot zinnen aaneenreeg. Ach, had ze zoo gesproken in haar eigen taal, zij met haar welluidend stemmetje, dan had de leeraar toch ook wel popelende blijheid gevoeld. Dit ranke jodinnetje — Hubert denkt er over na op een lenteavond, over Emerson gebogen — 't is een meisje van porseleinig maaksel, teer en doorschijnend. En voornaam van geest. Hij denkt ook aan den vader en ziet hem terug, zoo hij praten kwam in de studeerkamer beneden, over deze lessen. Een ruwe vroolijke klant, grof van lijf maar joviaal. De moeder kent hij niet. Denkend aan Vrouke, stelt hij het moedertje voor als een stille wijze vrouw> uitstekend in zieleadel vèr boven het eigen milieu.

Hij overdenkt ook het laatste halfjaar van zijn leven. Hij hoeft maar uit het hooge raam te kijken, om te weten dat de olmen aan den waterkant heerlijk uitloopen. Dat wordt voor zijn oogen een teeder lichtgroen veld, al deze boomenkruinen naast elkaar. Een stille winter is voorbij, alweer een winter meer bij de vele stille winters die hij hier in het huis doorleefde naast moeder. Ah, moeder. Ze troost haar jongen met liefderijke kleine daden, want ze voelt wel, dat deze vereenzamende man wat teederheid behoeft. Hij heeft zijn gewone wandeling langs de singels dag aan dag niet opgegeven, dus heeft hij de lente zien komen, iederen dag een schreefje verder. Dat begon met natte windvlagen die al wat zoelte droegen, omstreeks den tijd dat het vastenavondgastje poovertjes wit spikkelde in het nog wintersche grasland. Toen kwamen de

53

53

Sluiten