Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is. De weide rouwt; de slooten ertusschen als zwarte slingerlinten naar den zwarten horizont, dreigen. Zij zijn nu zoo diep, als in de sproken omtrent grondeloosheid. In deze zwartheid is het angstigste uit droom of wel uit oud verhaal tot werk'lijkheid geworden. Nu kunnen de Maren rijzen uit de weidegrachten, de slooten die zoo welig vredig zijn onder andere lucht. Waar zijn die Maren die den boer in den strot bijten of den buik openrijten met de klauwen harer pooten?

Met een fluiterigen ritselwind, die over de peppelkruinen gaat als een enkele harpberoering, is het geweld ingezet. Zie nu de daggelders krombeens uit de akkers komen, de raarvergroeide werkdwergen, de ploeteraars die tot het leste blijven gelooven in den ommezwaai van het weer, want ze willen bij 't werk blijven. Nu gaat dat rap-rap naar de poovere behuizingen langs de wetering; ze tootëren als kippenkuikens en roepen mee met de meiden in de boenhokken en de boeren achter den aardstaal.

Achter hen waaiert het watergordijn. De regen komt zoo snel; de verten zijn grijs, de wegkrom al, de verste

hofstêe, 't Schanshuis nu de schuur van Haag Nap

en dan? Ter andere zijde van den hemel vloeit kil wit zonlicht langs een wolkenrand en verzilvert de natte daken, 't grasland aan den einder en de wolk waar 't nog uit regent. Dat is een korte strijd, verloren door het licht. De regen komt suizend om Hubert heen, de regen zingt met boebelbellen in sloot en wetering, de regen rent verder, grijpt ook den anderen horizont, omhult het gansche

57

57

Sluiten