Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

land In de wolken is al ingezet het donderlied.

Zware witgepluimde donderwolken rennen op elkander toe, schuiven voorbij en braken geweld uit onderwijl. Witte en paarse splinterstralen flitsen er doorheen; wolkenbergen vallen om, en nieuwe wolken stijgen van de kim, versche donderaanvoer. En Hubert wordt nat. Hij rilt. Iedere donderslag komt nader; het noodweer hangt nu pal boven deze streek; ergens zal de bliksem inslaan. En het helsche vuurwerk gaat snel, woedt al ten einde, maar keert weerom, heviger en grootscher. In de huizen bidden thans vrouwen om bijstand. Zij willen de vergelding keeren, zoo deze hèn moest treffen. De eenzame man op den dijk bidt niet. Hij staart in het water de blaasjes na, hij ziet niet naar den hemel, schrikt van vuur noch van donderslag; hij zoekt het gevaar niet, maar ontloopt het niet. Zij die den dood niet vreezen, hebben den schrik overwonnen. Hoevele malen is deze eenzame niet ingeslapen met den verholen wensch, niet meer te ontwaken in dit leven van moedeloos wachten op de vreugde? Zoo hij er niet om gebeden heeft, dan was het uit eerbied voor het geschapene; niet uit vrees, vrees als levensbegeerte. Hubert hoeft sinds lang niet meer de oogen te sluiten om een in ruimte bewegend wezen te zijn, los van de aarde. Hij hoopt niet meer en verlangt niet meer. Liefde is hem voorbijgegaan. Zinnenvervoering kleurde te kort zijn wezen. Even heeft het poovere jodenmeisje Vrouke, zoo jong ze is, een wezentje zonder bekoringen van de volgroeide vrouw nog, even heeft dat meisje belangstelling voor het leven,

58

58

Sluiten