Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

't Was steeds hetzelfde in hoofdzaak. Eerst zag ze mijnheer Montijn, heel groot. Uit zijn mond kwamen de Apostelen en deze deden hun wonderdaden. Ze zag een stad. Geen vreemde stad met barre kasteelen en geweldig sombere bouwwerken, maar een inheemsche stad. En door de straten gingen de Apostelen. Ze werden bejouwd en gesard, maar ze gingen onverstoorbaar hun weg. Vele jonge menschen liepen met de Apostelen mee, door de stad en later door lange groene velden. Vrouke stond aan een deur, ze zag de stoet voorbijgaan. Ze keek niet om, maar bedekte haar oogen en liep mee. Toen ze weer opkeek waren ze in een weiland. Slooten waren geen belemmering, ze zweefden erover heen. Van ver hoorde ze een trage muziek. En kwamen ze aan het Waardsche Bosch, daar ineens bemerkte ze een nieuwe kracht — ze kon vliegen. Zwaar was haar lichaam en moeizaam wrikte zij zich voort boven de boomen van het kleine bosch. Eigenlijk was ze voortdurend beangst dat ze tusschen de takken neervallen zou, want de aarde trok met macht. Ze was nu niet meer met velen, maar geheel alleen en 't was nacht. Ploeterend vloog ze verder door een onpeilbare grijsheid, maar ze vond toch het pad terug waar zij met mijnheer Montijn geloopen had en gleed daar neer om te rusten. Nog een anderen droom had ze.

Nu was ze een kleine duif en vloog vrij en licht door de lucht, boven een vreemde stad. Er was een wit water beneden haar, dat strak als een nikkelen liniaal door die stad lag. Aan het einde van de stad, daar waar de roode hui76

76

Sluiten