Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Werkelijk vertelde ze dien avond terloops van die wandeling en niemand nam er aanstoot aan. Vader zei: „Een nette jongen en een geleerde jongen." Het deed haar goed, dat vader opzag tegen den man die zich tot haar neerboog, om met haar vertrouwelijk te zijn en te spreken over zijn idealen. En toch ze dacht: U moest weten vader; U zoudt mijnheer Montijn geen nette jongen vinden, als U wist waar hij met me over sprak. Dan zou er niets goeds meer aan hem zijn. — Nu vond ze het ineens komiek; vader die den vijand zelf het huis inhaalde. Want al sprak vader altijd over verdraagzaamheid en zoo, ze wist goed genoeg dat hij niets verdroeg, dat hij bulderen zou en haar vervloeken, als hij ooit vernam dat zij overhelde tot een ander geloof. Ze zweeg geraadzaam.

En 't werd Dinsdagavond. Ze belde aan, staande op het bordesje van 't oude huis. Mevrouw deed open en Vrouke staarde in de koele gang. Ze kon zich nog goed indenken hoe ze die gang gezien had, toen ze voor 't eerst hier kwam en er was zelfs iets sinds verleden week in dien aanblik veranderd. Ze stond nader tot den bewoner, ook nader tot het wezen van het huis. Want het wezen, het kenmerk van het huis lag weerspiegeld in het karakter van haar leeraar, was er een facet van. Mevrouw zei: dag jongejuffrouw, gaat U maar door, U weet den weg — en Vrouke knikte beduusd. Nu ze weer over de marmeren tegels liep, vond ze 'tineens bespottelijk, dat ze zoo'n briefjé gestuurd had naar mijnheer.

Hubert zat, toen Vrouke binnenkwam, papieren na te

79

79

Sluiten