Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tegelijk door het hoofd. Soms had ze 't gevoel, of ze elkander bij de hand hielden en samen iets geheims bepraatten, zoo ging ze in die gedachte op.

Den heelen Maandagmiddag bleven ze op 't nieuwe goed. Vrouke wachtte tot ze alleen was; toen nam ze uit haar taschje het zakspiegeltje. Ze wilde hier zien, hoe bleek ze nu was. Ze schrok en liep wat dieper het hout in. Met haar hak klopte ze tegen boomschorsen, ze stampte op den grond en veerde wat weg in de gladde blaad'renmassa.

Hé, ze bedacht daar al deze grond is nu van ons,

zoo diep als de aarde is. Neen dat niet, wel de helft, alleen maar tot het middelpunt. Vader kon er wel een mijn laten graven, een groot samenstel van onderaardsche gangen en gewelven .... al die grond is toch van ons. Als heel die diepte eens overlangs lag, kon er wel een stad op staan. Eigenlijk is iemand die grond koopt heel rijk, mijmerde ze. Grond van hier tot het middelpunt der aarde ja, ze wist wel dat men zoo diep niet graven kan;

maar wie 't probeeren wil mag dat doen op zijn eigen grond. Misschien kon het later. Vrouke viel nog in andere mijmeringen. Ze keek naar de boomen, wat waren er vele. Toen ze er onder door liep, gewoon rechtop, zag ze er niets bijzonders aan. Maar ze is op het mos gaan liggen, met de handen boven het hoofd. Zoo zag ze de lucht en de wolken heel anders; maar de boomen vooral, de boomen werden nu groot. Ha, nu zag ze de boomen pas zoo ze zijn, reuzen met kromme vergroeide armen; geweldenaars, zachtkens bewegend en meedeinend; ontzaggelijk

94

Sluiten