Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In dezen eersten wonderwinter kwam eiken Dinsdagmiddag prompt op zijn tijd, mijnheer Montijn, en werd met de les begonnen. Er kwam telkens een nieuw boekje; Vrouke leerde er vlot uit en begreep niet, dat anderen daar moeite bij konden hebben. Mijnheer Montijn kwam, hij begon dadelijk met de les en ging heen, als die om was. Eenmaal bleef hij na de les een korte poos; liet zich dóór den vader het bosch rondleiden en werd meteen uitgehoord hoe 't nu ging met de vorderingen. Maar ook toen weer, gelijk altijd, moest hij 't meisje roemen; ze leerde graag en vlug.

Maar Phüip de Lieme wü dit keer meer weten: wat denkt mijnheer Montijn wel van de ziekte, hij zoo'n geleerd man. —

Deze wijst den roem af. Hij kan 't niet zeggen; in dergelijke dingen is hij een leek. „Ze ziet nog wel wat , bleek, maar anders niets, ze ziet er niet bepaald ziek uit," vindt hij.

„Juist, dat zeg ik ook. 't Bosch doet goed, nü al."

Hubert Montijn wordt uitgeleide gedaan tot aan den dijk ditkeer. Daar staat de kaasbrik van vader gereed, die toch naar Oudewater moet, kaas halen bij Elie.

„Een fijne jongen," is weer vaders meening, terug in het boschhuis.

„Zeg maar gerust een houten paal," vindt moeder; „geen vroohjk woord komt ooit van zijn lippen; gezellig zoo een tot man ...."

„Ja, mijnheer is wel erg stil," zegt nu ook Vrouke.

103

Sluiten