Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lucht had en daarom niet gezien werd door ieder. Ze nam er de heilzame werking van waar, telkens als haar borst dichtgeknepen werd door den benauwendsten hoest. Ja, heel zeker wist ze dat ze zou genezen.

Er waren rondom haar zoovele kleinigheden die staag kwamen en gingen op de seizoenen, alzoo de bloemen. Eiken dag zag ze een nieuwe bloem bloeien, maar die dorde af en liet niets dan herinnering. Al deze herinneringen van een heel jaar stapelde zij in haar geheugen op. Soms dacht ze (onweerstaanbaar daartoe gedreven) aan sterven. Maar neen, neen, sterven dat kón immers niet. Ze was nu nog niet bereid, er moesten nog sommige bloemen komen. Na de sering wilde ze dat de meidoorn bloeide en zie, dat geschiedde dan ook zoo. Maar zij verlangde weer verder, altijd verder; steeds was ze de seizoenen een verlangensstonde voor. Neen ze was nog niet bereid; de dood kon het niet ernstig meenen, kon haar niet op 'toog hebben, haar, die dit jaar de purperen wikke nog niet heeft zien bloeien aan bermen langs de korenvelden. Lieve dood — smeekte ze handenwringend in haar draaitent; lieve dood, neem me alstublieft niet mee, vóórdat de wikke heeft gebloeid. — Dat bad het meisje na hevige benauwenis, wanneer 't haar was, alsof een grijze warme sluier over haar leden viel, die haar rauwe en beklemde borst wat verwarmde. Angstig lag ze dan te wachten, te wachten, tot een vriendelijk meisje uit de geburen haar de bloeiende wikke

bracht. Ach ja dat meisje, ze heette Vera; haar vader

had een steenbakkerij aan de zomerlanden van den IJssel.

106

106

Sluiten