Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Philip de Lieme noemde het jonge ding Buurtje; dat sprak hij uit met verteedering, omdat Buurtje zich zooveel aan zijn ziek meisje liet gelegen üggen. Maar Buurtje woonde een kwartier van 't achterafsche landhuis en ze kwam dan ook lang niet dag aan dag. Eigenlijk kwam ze nooit met leege handen, maar ze bracht altijd wat mee waar Vrouke een vleugje ontroering van gewaar werd door haar ziek lijfje, 't zij bloemen van het veld, of vruchten, eens een konijntje dat nu los door 't bosch rondhep, in de draaitent hupte en wegtooterde, al naar zijn beluste.

Maar nu wist Buurtje niet, dat zij al zoovele malen de bloemen van den dood voor haar ziek vriendinnetje had meegebracht. Ze zocht de fijnste ongeschonden margrieten uit en schikte ze keurig met trilgras, witbol en goudhaver tot een rijkkleurige bouquet, omdat ze wist dat het zieke meisje zooveel van bloemen hield.

Ze heeft de fijngehjnde wikke naar de draaitent gedragen, de grillige paarsbloemige slierten in een vaasje met vaardige hand geschikt, zoodat het een oogenlust werd, en daartusschen stak ze als kleurcontrast de diepgouden rolklavers met de halfontloken vlinderbloempjes en ze wist niet dat het zieke meisje den dood verzocht had te wachten tot dezen stond. Vrouke schrok; ze merkte dat haar witte handen beefden; maar snel, alsof zij den verraderlijken dood te bezweren had, wenschte ze vleierig te mogen

leven tot tot zij peinsde lang, tot aan de

boschslootboorden de wuivende spirea bloeien zou, want daarnaar verlangde zij nu alweer. Ze zag op haar witge-

107

107

Sluiten