Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schilderd kastje de bloemen staan van Buurtje, en zich opwindend tot ze ervan hoestte, verlangde zij die bloemen zelf weer te kunnen zien bloeien in 't wild aan de bermen. Eertijds, toen ze nog vrijelijk rondliep, hadden zoo'n paar bloempjes niet die waarde voor haar. En zoo ze werkelijk vroeger verlangd had naar den dag waarop de koninkhjke gele lisch de bloemkelken zou openen, toch nooit was de vreugde wanneer dat verlangen werkehjkheid was geworden, totaal geweest, 't Was al net als met de lente; het verlangen ernaar was vurig, maar de bereiking stemde tot onbegrijpbaren weemoed. En nü niet. Ontving zij nieuwe bloemen, dan gleden koesterend haar handen langs de plantgestalten, dan had ze de bloem en bleef toch het verlangen ernaar. Maar dan anders, dan zoo zij praalt in 't wild. Het was voor 't eerst in haar kort bestaan, dat zij zoo wezenlijk waardeerde, hetgeen zij tastbaar bezat. Nu, nadat de wikke in het vaasje dorde en de rolklavers in 't sterven oranjegeel ja bijna rood werden, nu gingen haar wenschen weer naar nieuwe bloemen, met het voortrollen van het jaar.

Waar wil dat zieke meisje zoo snel naartoe? Wat drijft haar denken zoo wild, dat het der getijden loop voorbijsnelt?

Vanwaar die onrust in het anders toch wel evenwichtig gemoed?

Ach, zij hoeft maar naar Buurtje te kijken, naar dat bruinharig landmeisje dat opgegroeid is in haar vaders mooi heereboerderijtje aan den IJssel, een sterk blijge-

108

108

Sluiten