Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Geert, die altijd naar haar armen keek zou Geert,

die tot de Meern 's avonds met haar meefietste, nu nóg zoo vreemd doen als hij onder 't fietsen haar arm maar eens vasthouden mocht? Even schrok ze, want ze was wèl bang de adoratie van dien grooten Geert, van dien sterken Geert te verhezen. En al leerde Geert slecht, ja hij leerde heel slecht en zij had hem twee leerjaren ingehaald, dat kon haar eigenlijk niet schelen, dat was iets waar een leeraar op moet letten. Alle meisjes zoowat waren dat met haar eens, en ze wist heel goed dat zij benijd werd om Geert, die alleen maar met haar meefietste 's avonds naar de Meern en dan soms haar arm, zacht voor zijn doen, vasthield. Ze bedacht zich niet lang; als Geert wat zou zeggen van die krassen, dan zou ze in staat wezen hem een klap te geven midden in zijn gezicht en hard weg te fietsen. Als hij naar haar arm greep, zou ze slaan en gillen. Liever maakte ze nog meer bloedkrassen op haar blanke vleesch.

Ach, als nu toch de dood eens voorbijging aan 't meisje ginder', hoe dankbaar zou ze zijn. Als dan Geert kwam, al kwam een ander, al kwam wie maar komen wou, alle jongens die ze kende en niet kende, wat zou ze genadig en hef zijn. Want Buurtje wist wel, dat ze rijkdommen had af te geven in glimlachjes aan die gekke jongens, ze wist wel dat ergens een hart hoog bonzen ging als zij dat wilde, en dat haar karig betoonde genegenheden jongensspieren staalden en harten verniimden. Dan, als 't doorzichtige meisje ginder gered zou zijn, dan mochten ze allen komen

2X3

112

Sluiten