Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

opgewekt door zijn indringend kalm enthousiasme voor een nieuw gevonden gewas, zijn rustig menschelijk inzicht vrij van alle kleinsteedsche haat en intrige, ja daarom vooral moet zij hem altijd in haar gedachten zien als een geadelde tusschen velen. Mijnheer Montijn, bedenkt ze, die zit maar stil op zijn kamer, hoog in het huis aan den IJssel en over de straat gaan de menschen. Wat bepeinst hij daar allemaal? Zooveel, dat hij precies weet, waarom al die menschen elkaar naar de hel wenschen. Het deinen van al die kleine booze en geniepige hartstochten van deze menschen, 't vormt een golf, waarin ieder meevloeien moet die er niet boven uit kan leven. Maar hij vloeit niet mee, hij ziet de deinende golf onder zich en is er alleen maar bedroefd om, dat zoovele menschen anderen kwellen. Mijnheer Montijn den begenadigde, heeft zij schuchter-bewonderend hef. En fiu mag daar komen wie er wil, en haar zeggen, dat het geen pas geeft, dat het dwaas is van haar, goed . . . goed, maar zij heeft nu eenmaal dien ouden jongen Hef. En daarom óók mag ze nu niet sterven, en zal ze ook niet stervan. Zij kan niet gewennen aan de gedachte, dat zij vergeefs haar gastvrij hart voor hem heeft opengezet en dat nooit ten laatste de stüle dank zou komen voor die naïeve weldaad. Zij weet nog niet, dat zoo velen den dood ingaan met een hart, overvol van verlangens. Zij kan niet begrijpen wat er in haar gezin, in de omgeving op het land, en in het heelal geschieden moet, als zij er niet meer zijn zal. Waarom komt dan nog de zon op? Zij zal het immers niet meer zien? Met haar broos

122

122

Sluiten