Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat de grootsten in zuiverheid en van geweten, het felst worden beproefd tot zelfverzaking.

Zoo de zomeravonden zijn in het droomend stadje aan den IJssel, wanneer de gele ophaalbrug voor 't laatst is neergelaten achter een sombere bruingeteerde tjalk met turvenlast, die schuw van menschengerucht het anker viert, voorbij, ver voorbij de weinige huizenrijen, voorbij den spokigen molen op zijn hoogt, zoo deze zomeravonden zijn, eerwaardig door plechtige eenderheid, is niet de ziel van Hubert Montijn, al zou dat kunnen vermoed worden door vluchtigen.

Niet murmelend tevreden als het stadje met zijn kleine vreugden en klein verdriet, met de domme overtuiging van het wèl en het nut der afgebakende en nauwgezet geregelde cadans van dagengang, niet dat

Maar achter den donkeren gevel van het huis aan den IJssel is eer een bange ziel verborgen, een schuwe ziel» die is gelijk de bruingeteerde tjalk, die buiten 't gewoel van het stadje verankerd ligt langs het jaagpad, dat heel wijd naar den horizont wijst en nog wijder naar een vermeenden weg tot andere, verdere horizonten.

In de turftjalkkajuit stommelen oude schippersmenschen, die jaren en jaren reeds varen, om weer verder te varen en niet weten waar het einde zal zijn. Ze zien niet droevig en lachen niet grif. lederen morgen nieuwe zorgen — heet hun tjalk, hun woning en koninkrijk. Wie van gelaten weten wil wat de ziel bergt, en zoekt bij de oude:

130

Sluiten