Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK VII.

Langs de ramen schuiven op de dagen nog andere schepen. De kallende gasmotoren, dat zijn wezens van slecht karakter en hoovaardij gehjk; ook komen jachten langs van blinkend hout, op de boorden koperen kikkers, en koper beslag aan roerpen en boeghout. Die jachten zijn verdwaald en verdwijnen dan ook gauw uit het strakke landschap, maar even snel uit het geheugen. Zij zijn te sierlijk, waarlijk te gracieus voor ons strak en lomp IJsselland. De heeren in hun wit-flanellen pakken, die op touwen toffels van 't schip op den wal springen, drinken het beeld van dat land nooit gansch en al op in hun ziel, want zij zijn verwend door den aanblik van welige bosschages, bergen en velden van ijs. Zullen ze begrijpen met hun bereisde hersenen, waarom IJsselland zoo strak is en zoo grim? Weten zij, waarom de IJsselboordbewoner zooveel houdt van zijn land zonder uiterhjke schoonheid?

De ijzeren klippers komen ook; ze zijn vlug en vroolijk. Hun neuzen wippen, als die van domme mooie meisjes.

133

Sluiten